België

Praktijkvoorbeelden

Een van de casestudies uit België betreft een welzijnsinitiatief dat het vormen van netwerken in buurten als een van diens kernpunten ziet. De gemeente heeft minder dan 25.000 inwoners, wat aanzien wordt als een kleine gemeente in Vlaanderen (Vandekerckhove, 2013). In de gemeente bevinden zich vier basisscholen binnen het gewoon onderwijs1, waar er in totaal bijna 1.300 leerlingen schoollopen (schooljaar 2025-2026). De schoolse vertraging (minstens 2 jaar vertraging) van kinderen in het lager onderwijs ligt 4% hoger dan het gemiddelde voor Vlaanderen (0,8%)2. Schoolse vertraging is een voorspeller voor schooluitval zoals hardnekkig spijbelen en ongekwalificeerde uitstroom (Neyts, 2018). In Vlaanderen gebruikt men de OKI-cijfers om de graad van kansarmoede op een school aan te geven. Het is een cijfer tussen 0 en 4. Voor het Nederlandstalig onderwijs is dat gemiddeld 1,14. In deze gemeente is dat 1,54 wat aangeeft dat er meer leerlingen met risicokenmerken voor armoede zijn dan gemiddeld. Hoewel scholen aanvullende middelen krijgen van de overheid om extra ondersteuning te bieden, gaan scholen in deze Vlaamse gemeente op zoek naar ondersteunende organisaties voor de gezinnen, de kinderen.

Welzijnsinitiatief

Deze nabijheid maakt het mogelijk om snel signalen op te vangen en af te stemmen rond gezinnen, zo geeft de organisatie tijdens een interview ter plaatse. Momenteel functioneert de ontmoetingsruimte als een verbindende plek, waar ook zitdagen van het CAW georganiseerd worden.De samenwerking strekt zich uit over verschillende onderwijsnetten waarbij men verschillende houdingen ziet van

Wat het aanbod van ondersteunende organisaties betreft, zijn dat in deze gemeente: Welzijnsschakel3, Centrum voor Welzijnswerk voor volwassen en jongeren (JAC), OCMW4, een OverKop-huis waar jongeren tot 25 jaar gewoon binnen en buiten lopen en allerlei leuke activiteiten doen en een SAAMO-werking. Een organisatie van het maatschappelijk opbouwwerk en inzet op netwerking van sleutelfiguren om maatschappelijk kwetsbare gezinnen met jonge kinderen proactief te bereiken en toe te leiden. Deze laatste heeft een samenwerking uitgebouwd met scholen uit de regio. Een belangrijke draaischijf in het lokale netwerk is ook het Huis van het Kind, dat een fysieke plek heeft in een kwetsbare wijk.

leerkrachtenteams: eerder argwanend en afwachtend, of zeer open en proactief. In die laatste categorie werden welzijnswerkers betrokken bij koffiemomenten of informele contactmomenten. In een aantal scholen is de samenwerking beperkter en gaat het hoofdzakelijk over het opnemen van zorgtaken, zonder betrokkenheid bij bredere acties in de klas- of schoolcontext. Scholen formuleren duidelijke verwachtingen naar welzijnspartners toe, zoals het versterken van de aanwezigheid van leerlingen op school en het uitvoeren van huisbezoeken bij gezinnen. Ook het wijkgezondheidscentrum speelt een belangrijke rol binnen het netwerk omdat zij mee (vanuit gezondheid) signalen bundelt en bredere patronen kan aangeven.

Structureel overleg tussen scholen onderling en het welzijnswerk was lange tijd afwezig. Uit de ontmoetingen blijkt dat er een voorzichtige groei is richting meer afstemming met welzijnspartners. Zo is er een klein zorgoverleg tussen verschillende scholen en de schepen van Onderwijs, een scholenoverleg met de schepen van Sociale Zaken en een oudergroep voor gezinnen in een kwetsbare context.

De overlegmomenten worden ook gezien als netwerkmomenten en maken het mogelijk om een eerste ‘straat van vertrouwen’ aan te leggen. Een terugkerend thema in de samenwerking is het beroepsgeheim. In overlegvormen met een beperkt aantal partners, zoals Kind en Gezin of het Centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB), vormt dit doorgaans minder een belemmering. In bredere overlegstructuren ligt dit gevoeliger omdat leraren ambtsgeheim hebben en geen beroepsgeheim. Binnen het netwerk worden grote verwachtingen gesteld aan het CLB zeker als het gaat over terugkoppeling van cases op school.

1 In België is onderwijs een gemeenschapsbevoegdheid en wordt het Nederlandstalig onderwijs georganiseerd door de Vlaamse overheid. Heel wat dat ais beschikbaar via dataloep.be. In Vlaanderen spreken we over het gewoon en buitengewoon onderwijs. In die laatste vorm van onderwijs kan je enkel schoollopen na een diagnose van een beperking. 

2 Cijfers van 2024-2025 op dataloep via https://onderwijs-tableau.vlaanderen.be.

3 In Welzijnsschakels komen vrijwilligers en mensen met armoede-ervaring op tegen armoede en sociale uitsluiting. Ze voorzien onder andere voedselhulp.

Er zit een zekere verwachte wederkerigheid in dit samenspel van partners zowel binnen onderwijs, welzijn als over die ’schotten’ heen. De lokale context toont zowel de bereidheid als de kwetsbaarheid van samenwerking: zo is er een grote bereidheid om samen te werken vanuit beide sectoren net omdat de noden in de regio hoog zijn. Tegelijk heeft de toenemende druk op het welzijnswerk in het verleden geleid tot een terugplooien op het eigen kernaanbod.

De praktijk toont dat samenwerking tussen stad, scholen en welzijnspartners niet vanzelfsprekend is maar wel mogelijk en noodzakelijk is. Er worden initiatieven genomen zoals structurele overlegmomenten en fysieke plekken die netwerken en fysieke nabijheid mogelijk maken. De vraag leefde wel hoe samenwerking kan worden versterkt en hoe bovenlokale noden systematisch kunnen worden doorgegeven. De gezinnen krijgen een stem en er wordt systematisch samengewerkt met de Vrienden van het Huizeke (een zelforganisatie van mensen in armoede) én andere organisaties in de grootstad met eigen initiatieven rond kansengelijkheid en armoede (Vrienden van het Huizeke, z.d.).

4 Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), verzekert een aantal maatschappelijke dienstverleningen en zorgt zo voor het welzijn van iedere burger. Elke gemeente of stad heeft een eigen OCMW dat een brede waaier aan diensten aanbiedt.

·      (opgroeien, z.d.) veranderen in: (Welkom bij Opgroeien, z.d.)

·      (saamo, z.d.) veranderen in: (SAAMO, z.d.)

In een grootstedelijke context zijn heel wat actoren actief op het snijpunt tussen onderwijs en welzijnswerk. Het lokaal welzijnswerk gaat outreachend (aanklampend) aan de slag. Om de connectie tussen schoolgaan en andere levensdomeinen van kinderen en hun gezinnen meer te onderbouwen worden nieuwe netwerken gevormd die projectmatig werken en daarbij lokaal/bovenlokaal steun krijgen. Een bovenlokale aansturing kan zorgen voor een gemeenschappelijke grond, trekkers met een duidelijke rol en een heldere visie. In de projectvisie wordt duidelijke gesteld dat de samenwerking welzijnswerkers – brugfiguren - scholen – gezinnen prioriteit is . De lokale uitvoering zorgt op die manier voor de korte lijntjes en gezamenlijk impact in kansarmoede. De focus op samenwerking tussen reeds bestaande acties, interventies en netwerken zorgt voor een stevige onderbouw van het project.

In het project worden duidelijke doelstellingen uitgeschreven en krijgt de werking een formeel karakter wat de doelgerichtheid versterkt. Het project kreeg ondersteuning van De Vlaamse Gemeenschapscommissie en werd ingeschreven in het meerjarenplan 2021-2025 (met verlening tot 2026 omwille van de moeilijkheden in de regeringsvorming).

Welzijnsvragen op school

Een duidelijk omschreven project (Welzijnsvragen op school) met een heldere doelstelling met verankering in een convenant zorgt ook voor beleidsmatige erkenning van het werk dat op de plank ligt en maakt lokale noden zichtbaar. Het zorgt er tegelijkertijd voor dat diverse beleidsdomeinen lokaal moeten afstemmen. De valkuil hierbij is tegelijk ook de slagkracht: een helder, duidelijk, (relatief) kortdurend project ondersteund door lokaal/bovenlokaal beleid. De overgang naar een constante werking, noodzakelijk in een grootstedelijke context blijft een kwetsbare factor.

.

De inhoudelijke onderbouw van het project is duidelijk. Inzet op maximale ontwikkelingskansen van kinderen en jongeren door de Brede School en recht op welzijn realiseren vanuit het GBO (Geïntegreerd Breed Onthaal) waarin alle partijen in hun rol gezien worden vormen de lijm voor alle betrokken partijen. De context van de school, de gezinnen, het welzijnswerk en de buurt krijgen een plek in het project en richten zich samen op gerichte acties én kennisdeling. In deze setting worden stevige netwerken gebouwd met erkenning van ieders doel en reeds bestaande initiatieven. Zowel inzetten op de kwaliteit van de samenwerking op korte termijn als de uitbouw van de relatie en het vertrouwen op langere termijn gebeurt systematisch via intervisie, inspiratiedagen, bijscholing. Communicatie met schoolteams, de praktijk van de dagelijks vragen in scholen opvangen door uitbouw van de outreachende dienstverlening door het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk en interne vormingen in scholen maken er deel van uit. Alle betrokkenen worden in dit verhaal meegenomen in het projectopzet en via overleg.

De gezinnen krijgen een stem en er wordt systematisch samengewerkt met de Vrienden van het Huizeke (een zelforganisatie van mensen in armoede) én andere organisaties in de grootstad met eigen initiatieven rond kansengelijkheid en armoede. Ook het erkennen van de rol van schoolmedewerkers, zoals het secretariaat en opvangpersoneel, is belangrijk. Betrokkenen bij de school worden in hun kracht erkend en effectief ingezet in het aanpakken van welzijnsvragen. In dergelijk project ontwikkelt men niet alleen gezamenlijke expertise maar daarnaast gedeelde grond voor vertrouwen en samenwerking. Het meenemen van ervaringsdeskundigheid in armoede is hier fundamenteel onderdeel van gezien de context.

Naast het werken aan een stevig netwerk, afstemming, bijscholing, kennisdeling gezamenlijke acties wordt er praktisch heel wat gerealiseerd: de outreach functie is uitgebouwd in een aanbod door hulpverleners op school, er is aanbod en doorverwijs naar vrije tijd voor gezinnen, de studie en schoolbegeleiding is aanwezig, informatie rond ziekte en gezondheid, enz. Kortom, er wordt sterk ingezet op dienstverlening en connectie met aanbod. In dit project is zowel de urgentie van de vragen als de uitbouw van een stevig platform een meerwaarde.

Dergelijke grootstedelijke context zorgt voor extra uitdagende omgevingsvariabelen. De superdiversiteit en mate van mobiliteit van mensen in de stad maakt de druk op het bestaande aanbod erg groot. Armoede piekt met meer dan 1 op 3 Brusselaars die met een inkomen onder de armoedegrens leven. Bijna een vierde van de Brusselse kinderen jonger dan 18 leeft in een huishouden zonder inkomen uit werk. (opgroeien, z.d.)Een grote groep van mensen die recht hebben op extra ondersteuning, weet dat niet. Volgens cijfers uit België zou meer dan 40% van de rechthebbenden op een leefloon dat niet opnemen omwille van het niet kennen van de rechten, het niet (durven) aanvragen en de administratieve complexiteit (saamo, z.d.). Hierom is het inzetten op scholen als vindplek voor deze stad van belang.

België

Praktijk-voorbeelden

Familieschool in
een grootstedelijke context

Een van de casestudies uit België betreft een welzijnsinitiatief dat het vormen van netwerken in buurten als een van diens kernpunten ziet. De gemeente heeft minder dan 25000 inwoners, wat aanzien wordt als een kleine gemeente in Vlaanderen (Vandekerckhove, 2013). In de gemeente bevinden zich vier basisscholen binnen het gewoon onderwijs[1], waar er in totaal ongeveer bijna 1300 leerlingen schoollopen (schooljaar 2025-2026). De schoolse vertraging (minstens 2 jaar vertraging) van kinderen in het lager onderwijs ligt 4% hoger dan het gemiddelde voor Vlaanderen (0,8%)[2]. Schoolse vertraging is een voorspeller voor schooluitval zoals hardnekkig spijbelen en ongekwalificeerde uitstroom (Neyts, 2018).

In Vlaanderen gebruikt men de OKI-cijfers om een de graad van kansarmoede op een school aan te geven. Het is een cijfer tussen 0-4. Voor het Nederlandstalig onderwijs is dat gemiddeld 1,14. In deze gemeente is dat 1,54 wat aangeeft dat er meer leerlingen met risicokenmerken voor armoede dan gemiddeld. Hoewel scholen extra middelen krijgen van de overheid om extra ondersteuning te bieden, gaan scholen in deze Vlaamse gemeente op zoek naar ondersteunende organisaties voor de gezinnen, de kinderen. Wat het aanbod van ondersteunende organisaties betreft, zijn dat in deze gemeente: Welzijnsschakel[3], Centrum voor Welzijnswerk voor volwassen en jongeren (JAC), OCMW[4], een OverKop-huis waar jongeren tot 25 jaar gewoon binnen en buiten lopen en allerlei leuke activiteiten doen en een SAAMO-werking. Een organisatie van het maatschappelijk opbouwwerk en inzet op netwerking van sleutelfiguren om maatschappelijk kwetsbare gezinnen met jonge kinderen proactief te bereiken en toe te leiden. Deze laatste heeft een samenwerking uitgebouwd met scholen uit de regio.

Een belangrijke draaischijf in het lokale netwerk is ook het Huis van het Kind, dat een fysieke plek heeft in een kwetsbare wijk. Deze nabijheid maakt het mogelijk om snel signalen op te vangen en af te stemmen rond gezinnen, zo geeft de organisatie tijdens een interview ter plaatse. Momenteel functioneert de ontmoetingsruimte als een verbindende plek, waar ook zitdagen van het CAW georganiseerd worden.

De samenwerking strekt zich uit over verschillende onderwijsnetten waarbij men verschillende houdingen ziet van leerkrachtenteams: eerder argwanend en afwachtend, of zeer open en proactief. In die laatste categorie werden welzijnswerkers betrokken bij koffiemomenten of informele contactmomenten. In een aantal scholen is de samenwerking beperkter en gaat het hoofdzakelijk over het opnemen van zorgtaken, zonder betrokkenheid bij bredere acties in de klas- of schoolcontext. Scholen formuleren duidelijke verwachtingen naar welzijnspartners toe, zoals het versterken van de aanwezigheid van leerlingen op school en het uitvoeren van huisbezoeken bij gezinnen. Ook het wijkgezondheidscentrum speelt een belangrijke rol binnen het netwerk omdat zij mee (vanuit gezondheid) signalen bundelt en bredere patronen kan aangeven.

Structureel overleg tussen scholen onderling en het welzijnswerk was lange tijd afwezig. Uit de ontmoetingen blijkt dat er een voorzichtige groei is richting meer afstemming met welzijnspartners. Zo is er een klein zorgoverleg tussen verschillende scholen en de schepen van Onderwijs, een scholenoverleg met de schepen van Sociale Zaken en een oudergroep voor gezinnen in een kwetsbare context.

De overlegmomenten worden ook gezien als netwerkmomenten en maken het mogelijk om een eerste ‘straat van vertrouwen’ aan te leggen.

Een terugkerend thema in de samenwerking is het beroepsgeheim. In overlegvormen met een beperkt aantal partners, zoals Kind en Gezin of het Centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB), vormt dit doorgaans minder een belemmering. In bredere overlegstructuren ligt dit gevoeliger omdat leraren ambtsgeheim hebben en geen beroepsgeheim. Binnen het netwerk worden grote verwachtingen gesteld aan het CLB zeker als het gaat over terugkoppeling van cases op school. Er zit een zekere verwachte wederkerigheid in dit samenspel van partners zowel binnen onderwijs, welzijn als over die ’schotten’ heen. De lokale context toont zowel de bereidheid als de kwetsbaarheid van samenwerking: zo is er een grote bereidheid om samen te werken vanuit beide sectoren net omdat de noden in de regio hoog zijn. Tegelijk heeft de toenemende druk op het welzijnswerk in het verleden geleid tot een terugplooien op het eigen kernaanbod.

De praktijk toont dat samenwerking tussen stad, scholen en welzijnspartners niet vanzelfsprekend is maar wel mogelijk en noodzakelijk is. Er worden initiatieven genomen zoals structurele overlegmomenten en fysieke plekken die netwerken en fysieke nabijheid mogelijk maken. De vraag leefde wel hoe samenwerking kan worden versterkt en hoe bovenlokale noden systematisch kunnen worden doorgegeven.

[1] In België is onderwijs een gemeenschapsbevoegdheid en wordt het Nederlandstalig onderwijs georganiseerd door de Vlaamse overheid. Heel wat dat ais beschikbaar via dataloep.be. In Vlaanderen spreken we over het gewoon en buitengewoon onderwijs. In die laatste vorm van onderwijs kan je enkel schoollopen na een diagnose van een beperking. 

[2] Cijfers van 2024-2025 op dataloep via https://onderwijs-tableau.vlaanderen.be.

[3] In Welzijnsschakels komen vrijwilligers en mensen met armoede-ervaring op tegen armoede en sociale uitsluiting. Ze voorzien onder andere voedselhulp.

[4] Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), verzekert een aantal maatschappelijke dienstverleningen en zorgt zo voor het welzijn van iedere burger. Elke gemeente of stad heeft een eigen OCMW dat een brede waaier aan diensten aanbiedt.

In een grootstedelijke context zijn heel wat actoren actief op het snijpunt tussen onderwijs en welzijnswerk. Het lokaal welzijnswerk gaat outreachend (aanklampend) aan de slag. Om de connectie tussen schoolgaan en andere levensdomeinen van kinderen en hun gezinnen meer te onderbouwen worden nieuwe netwerken gevormd die projectmatig werken en daarbij lokaal/bovenlokaal steun krijgen. Een bovenlokale aansturing kan zorgen voor een gemeenschappelijke grond, trekkers met een duidelijke rol en een heldere visie. In de projectvisie wordt duidelijke gesteld dat de samenwerking welzijnswerkers – brugfiguren - scholen – gezinnen prioriteit is . De lokale uitvoering zorgt op die manier voor de korte lijntjes en gezamenlijk impact in kansarmoede. De focus op samenwerking tussen reeds bestaande acties, interventies en netwerken zorgt voor een stevige onderbouw van het project.

In het project worden duidelijke doelstellingen uitgeschreven en krijgt de werking een formeel karakter wat de doelgerichtheid versterkt. Het project kreeg ondersteuning van De Vlaamse Gemeenschapscommissie en werd ingeschreven in het meerjarenplan 2021-2025 (met verlening tot 2026 omwille van de moeilijkheden in de regeringsvorming).

Een duidelijk omschreven project (Welzijnsvragen op school) met een heldere doelstelling met verankering in een convenant zorgt ook voor beleidsmatige erkenning van het werk dat op de plank ligt en maakt lokale noden zichtbaar. Het zorgt er tegelijkertijd voor dat diverse beleidsdomeinen lokaal moeten afstemmen. De valkuil hierbij is tegelijk ook de slagkracht: een helder, duidelijk, (relatief) kortdurend project ondersteund door lokaal/bovenlokaal beleid. De overgang naar een constante werking, noodzakelijk in een grootstedelijke context blijft een kwetsbare factor.

De inhoudelijke onderbouw van het project is duidelijk. Inzet op maximale ontwikkelingskansen van kinderen en jongeren door de Brede School en recht op welzijn realiseren vanuit het GBO (Geïntegreerd Breed Onthaal) waarin alle partijen in hun rol gezien worden vormen de lijm voor alle betrokken partijen. De context van de school, de gezinnen, het welzijnswerk en de buurt krijgen een plek in het project en richten zich samen op gerichte acties én kennisdeling. In deze setting worden stevige netwerken gebouwd met erkenning van ieders doel en reeds bestaande initiatieven. Zowel inzetten op de kwaliteit van de samenwerking op korte termijn als de uitbouw van de relatie en het vertrouwen op langere termijn gebeurt systematisch via intervisie, inspiratiedagen, bijscholing. Communicatie met schoolteams, de praktijk van de dagelijks vragen in scholen opvangen door uitbouw van de outreachende dienstverlening door het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk en interne vormingen in scholen maken er deel van uit. Alle betrokkenen worden in dit verhaal meegenomen in het projectopzet en via overleg. De gezinnen krijgen een stem en er wordt systematisch samengewerkt met de Vrienden van het Huizeke (een zelforganisatie van mensen in armoede) én andere organisaties in de grootstad met eigen initiatieven rond kansengelijkheid en armoede. Ook het erkennen van de rol van schoolmedewerkers, zoals het secretariaat en opvangpersoneel, is belangrijk. Betrokkenen bij de school worden in hun kracht erkend en effectief ingezet in het aanpakken van welzijnsvragen. In dergelijk project ontwikkelt men niet alleen gezamenlijke expertise maar daarnaast gedeelde grond voor vertrouwen en samenwerking. Het meenemen van ervaringsdeskundigheid in armoede is hier fundamenteel onderdeel van gezien de context.

Naast het werken aan een stevig netwerk, afstemming, bijscholing, kennisdeling gezamenlijke acties wordt er praktisch heel wat gerealiseerd: de outreach functie is uitgebouwd in een aanbod door hulpverleners op school, er is aanbod en doorverwijs naar vrije tijd voor gezinnen, de studie en schoolbegeleiding is aanwezig, informatie rond ziekte en gezondheid, enz. Kortom, er wordt sterk ingezet op dienstverlening en connectie met aanbod. In dit project is zowel de urgentie van de vragen als de uitbouw van een stevig platform een meerwaarde.

Dergelijke grootstedelijke context zorgt voor extra uitdagende omgevingsvariabelen. De superdiversiteit en mate van mobiliteit van mensen in de stad maakt de druk op het bestaande aanbod erg groot. Armoede piekt met meer dan 1 op 3 Brusselaars die met een inkomen onder de armoedegrens leven. Bijna een vierde van de Brusselse kinderen jonger dan 18 leeft in een huishouden zonder inkomen uit werk. (opgroeien, z.d.) Een grote groep van mensen die recht hebben op extra ondersteuning, weet dat niet. Volgens cijfers uit België zou meer dan 40% van de rechthebbenden op een leefloon dat niet opnemen omwille van het niet kennen van de rechten, het niet (durven) aanvragen en de administratieve complexiteit (saamo, z.d.). Hierom is het inzetten op scholen als vindplek voor deze stad van belang.

Welzijnsvragen op school in een grootstedelijke context