Mila van Beek
Deze docent geeft zó enthousiast les dat je vanzelf zin krijgt om te komen. Dat heb ik onthouden: als ik zelf enthousiasme laat zien, wordt het meteen gezelliger in de klas
''
Ze merkte meteen het verschil tussen hbo en wo. “Het voelde op de HvA veel meer als ‘met je eigen klas’; je leert je medestudenten ook echt goed kennen. Op de UPvA had ik dat veel minder. De HvA voelt bijna als de middelbare school, maar dan een niveau hoger. Ik vind dat fijner. En vanaf het eerste jaar loop je stage. Dat was ik gelukkig al gewend van de UPvA, maar ik vind het ook echt een enorme meerwaarde. Veel vriendinnen die géén Pabo doen, doen pas in het laatste jaar van hun opleiding een afstudeerstage. Dan schrikken ze: ineens zien ze hoe het er écht aan toegaat in de praktijk en dat het heel anders is dan hun beeld van de studie. Bij een lerarenopleiding weet je vanaf het begin: dit is het werk dat je later gaat doen. Dat vind ik top.”
Lesgeven in een grootstedelijke, diverse klas
Lesgeven in een diverse klas vraagt bewustzijn en voorbereiding. “Op de Pabo krijg je daarom vakken als levensbeschouwing en burgerschap. In levensbeschouwing leer je hoe je het gesprek voert over verschillende meningen en culturen, en over de feestdagen en rituelen van allerlei religies. Bij burgerschap gaat het meer over democratie in de klas: hoe je samen besluiten neemt en leert respectvol met elkaar om te gaan.”
Tijdens de cultuurweek bezoeken de studenten bijvoorbeeld een synagoge, een kerk en een boeddhistische tempel. Alles is heel duidelijk gekoppeld aan de samenleving in Amsterdam: hoe ziet die eruit, en hoe neem je dat mee je klas in? “Je weet misschien niet alles van alle culturen en opvoedstijlen. Maar je leert genoeg om bewust en respectvol te handelen. Ik wist zelf bijvoorbeeld weinig van de islam, tot ik stageliep in Nieuw-West. Door wat ik op de Pabo had geleerd, kon ik meepraten over de Ramadan en het Offerfeest en daar rekening mee houden. Je ziet dan dat leerlingen oplichten: ‘Oh, juf snapt het.’ Dat vind ik misschien wel het mooiste aan werken in een grootstedelijke, diverse klas.”
Docenten hebben zelf voor de klas gestaan
Mila is erg te spreken over de docenten: “Ze voelen niet als ‘docent’, maar meer als een kritische vriend die het beste met je voor heeft. Je kunt bij hen terecht met problemen – ook die niet direct over hun eigen vak gaan. Bijna allemaal hebben ze zelf voor de klas gestaan. Ze vertellen niet alleen wat je zou moeten doen, ze weten hoe het in het echt gaat. Daardoor kun je met je stage-ervaringen bij hen terecht en hebben ze bijna altijd een bruikbaar antwoord.”
En ze heeft veel favoriete vakken. “Pedagogiek vond ik erg interessant: hoe kijk je rond in de klas? Hoe differentieer je? Hoe ga je om met bepaald gedrag? Dat ging echt over het praktische plaatje van: hoe dóe je het? En Christien, de docent, weet ontzettend veel! Je legt een casus voor en zij werkt hem helemaal met je uit, met tips en tricks. Heel fijn! In het tweede jaar had ik Floortje als kerndocent. Zij is gymdocent. Zij geeft zó enthousiast les dat je vanzelf zin krijgt om te komen. Dat heb ik onthouden: als ik zelf later enthousiasme laat zien, wordt het meteen gezelliger en loopt alles vlotter.”
Meer dan student: ambassadeur en verbinder
Maar Mila heeft niet alleen maar gestudeerd. Ze was ook nog klassenvertegenwoordiger, buddy voor middelbare scholieren en studentvoorlichter. “En tot eind van dit jaar was ik voorzitter van de opleidingscommissie (OC). Dat vond ik erg leuk om te doen. Je bent dan de stem van de studenten. Je gaat met de opleidingsmanager en docenten in gesprek over toetsen, examens; hoe dingen beter kunnen vanuit zowel student- als docentperspectief.”
“Ik ga nu nog een extra opleiding doen: de post-hbo Gedragsspecialist bij de iPabo in Amsterdam. In mijn stages zie ik steeds meer complex gedrag in de klas. Met passend onderwijs komen leerlingen met een ‘rugzakje’ ook bij jou. Hoe ga je daarmee om, terwijl je ook nog twintig andere leerlingen hebt? Ik wil daar meer handvatten voor. Daarom lijkt deze specialisatie me heel waardevol.”
“Inclusief onderwijs – dat kinderen zoveel mogelijk samen in één klas zitten – steun ik. Bij passend onderwijs heb ik meer twijfels. Sommige leerlingen hebben zulke specifieke behoeften dat ze in een gewone klas niet echt tot leren komen. Dan vind ik het eigenlijk niet eerlijk, in positieve zin, om ze in een setting te plaatsen waar je niet kan bieden wat ze nodig hebben. Als je een leerling hebt waar veel extra aandacht naartoe moet, is er geen tijd meer voor bijvoorbeeld een goede rekenles voor de twintig anderen. Als passend en inclusief onderwijs de norm is, moet er bijna standaard een onderwijsondersteuner in de klas zijn. Iemand met wie je het kunt verdelen. Als die er niet is, sta je er alleen voor.”
Een goede leerkracht heeft lessen gevolgd
Al een paar maanden wordt er gesproken over een ‘studeercrisis’: studenten komen nauwelijks naar de colleges. Mila heeft daar een duidelijke mening over. “Kom gewoon naar alle lessen! Sociaal sta je dan meteen veel sterker. Je bouwt een vaste groep om je heen op. En bovendien: je wordt leerkracht?! Je wilt later toch ook dat jouw leerlingen in de klas zijn. Ik ben voor een aanwezigheidsplicht: je komt hier om te leren hoe je een goede leerkracht wordt, en daar horen lessen bij.”
Ruik de potloden, hoor het geroezemoes, zie die kinderen over het schoolplein rennen. Als je voelt hoe bijzonder het is om met kinderen te zijn, dan weet je genoeg
Thijs Roovers Oud-student
Liselore Knigge
''
''
Van ontdekken waar je thuishoort tot opkomen voor je vak: de Pabo HvA was voor Thijs Roovers, Liselore Knigge en Mila van Beek het begin van hun carrière in het basisonderwijs. Wat hebben zij meegenomen uit de collegebanken en geleerd van hun stages? Hoe kijken zij terug op die tijd? “De bevlogen mensen, de cultuur van blijven leren en mogen groeien, dat had ik nog nooit ergens anders ervaren.”
Mila van Beek
Thijs Roovers
Liselore Knigge
Gemiddeld gaat het om ongeveer zes uur schermtijd per dag. Dan kun je je voorstellen welke andere ervaringen er niet plaatsvinden.
Thijs Roovers
Dat dat afwijkt van het vertrouwde beeld van een klas in rijen, waarin iedereen hetzelfde boek op dezelfde pagina openslaat, realiseert ze soms als nieuwe ouders komen kennismaken. “Ze zien kinderen zelfstandig werken, allerlei materialen en kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar.” Voor Liselore ligt daar precies de kracht van Montessori. “Maria Montessori heeft die materialen niet zomaar bedacht; er zit een duidelijke visie achter. Je kijkt naar wat een kind nú nodig heeft en past je aanpak daarop aan. Kinderen ontwikkelen daardoor zelfstandigheid en verantwoordelijkheid, en leren in hun eigen tempo. Dáár gaat mijn hart van aan.”
Van pabo naar toneelschool en terug
De keuze voor de Montessori-pabo lag achteraf voor de hand. Liselore zat op een daltonbasisschool, haar ouders studeerden pedagogiek en ze ging naar het Montessori Lyceum. “Een alternatieve kijk op onderwijs hoort gewoon bij mij.” Toch begint ze haar opleiding met het idee na haar propedeuse alsnog naar de acteursopleiding te gaan. De start op de pabo is stevig. Lange lesdagen en stages maken het intensief. Maar de praktijk en Montessori-lessen maken haar enthousiast. “Ik vond het zó leuk dat ik dacht: dit wil ik afmaken.”
Na de pabo gaat ze alsnog naar de toneelschool en werkt ze een paar jaar als acteur. Als ze in 2012 afstudeert, treffen grote bezuinigingen de culturele sector. Bovendien vindt ze het zwaar om voortdurend werk te moeten zoeken en zichzelf te verkopen. Haar pabodiploma biedt uitkomst. Via de basisschool waar ze eerder haar LIO-stage heeft gedaan, krijgt ze een baan aangeboden — niet in de middenbouw die zij voor ogen had, maar in de bovenbouw.
Dat blijkt een schot in de roos. “Kinderen van negen tot twaalf beginnen een beetje te puberen. Je moet houden van het sparren, de scherpe opmerkingen en het zoeken naar grenzen. Mij lag dat juist heel goed.” Ze werkte aanvankelijk ook met kleuters, maar ontdekte dat haar passie vooral bij de oudere basisschoolkinderen ligt.
Van de toneelschool heeft ze geen moment spijt. “Ik heb er vriendschappen en enorm veel bagage aan overgehouden. Ik durf voor groepen te spreken, ken mezelf goed en houd van creatief bezig zijn.” Die ervaring neemt ze mee haar school in. Met groep 8 schrijft en regisseert ze jaarlijks de eindmusical. “Dat theatrale, dat spelen en maken, hoort bij mij. Het verdwijnt nooit helemaal uit mijn werk.”
Een veranderende opvoedwereld
In bijna vijftien jaar Amsterdams basisonderwijs ziet Liselore het werk veranderen. Vooral de rol van ouders is groter geworden. “Professionals worden niet automatisch meer als experts gezien.” Ouders komen bijvoorbeeld met uitkomsten van online tests of informatie van ChatGPT over de ontwikkeling van hun kind. Liselore begrijpt de behoefte aan houvast: opvoeden is ingewikkelder geworden. Maar het vraagt ook om een stevige, empathische en duidelijke houding van leerkrachten. “Oudercontact leer je vaak pas echt als het spannend wordt.”
Schermgebruik speelt ook een grote rol. Op de 15e Montessorischool geldt een zero-tolerancebeleid voor mobiele telefoons en smartwatches. Kinderen mogen ze niet gebruiken. “Het leidt enorm af en kinderen kunnen die verantwoordelijkheid nog niet goed aan.”
Bang voor een bal
Liselore ziet dat kinderen minder buiten spelen, minder bewegen en veel tijd achter schermen doorbrengen. “Gemiddeld gaat het om ongeveer zes uur schermtijd per dag buiten schooltijd, voor kinderen tot ongeveer veertien jaar. Dan kun je je voorstellen welke andere ervaringen er niet plaatsvinden.” Mediawijsheid is daarom een steeds belangrijker deel van het onderwijs. WhatsApp-groepen, online uitsluiting en sociale media hebben direct invloed op het leven in de klas.
Ook overbescherming baart haar zorgen. “Kleuters zijn soms bang voor een bal, durven nauwelijks te vallen, lopen motorisch achter of hebben vaker overgewicht. Kinderen moeten ook leren omgaan met een conflict, een duw of iets wat niet prettig is. Dat hoort bij het leven.” Kinderen mogen zich volgens haar bovendien vervelen. “Daar leren ze van.”
Passie, verhalen en lezen
Wat wens je de pabo toe de komende 15 jaar? “Ik hoop dat de pabo de komende 15 jaar vooral één ding vasthoudt: passie. De passie van goede vakdocenten die zó bevlogen hun vak uitvoeren zoals Jos Calis, die zo enthousiast over kinderliteratuur vertelde. En Erwin Jansen, die kom ik nog steeds tegen bij diplomeringen van mijn stagiaires. Die bevlogenheid is misschien wel het belangrijkste wat je toekomstige leerkrachten kunt meegeven – en daarmee uiteindelijk ook de kinderen in de klas. Geef kinderen het gevoel dat hun verhaal ertoe doet.”
De magie van voorlezen
“Lezen is echt magisch: dat er werelden voor hen opengaan in boeken. Voorlezen is de basis voor technisch en begrijpend lezen, en daarmee voor alles wat daarna komt: middelbare school, studie, werk. Dat is een uitdaging in een tijd waarin schermen veel aandacht opslokken. Juist daarom heb je leerkrachten nodig die weten waarom ze doen wat ze doen – en dat met vuur kunnen overbrengen.”
Liselore Knigge dacht als zestienjarige niet aan een toekomst in het onderwijs. Ze wilde naar de toneelschool, maar die wereld voelde toen nog te groot en spannend. Daarom koos ze eerst voor Pabo HvA. Een keuze die onverwacht goed bleek uit te pakken. Na zeven jaar voor de klas staat ze inmiddels zes jaar aan het roer van de 15e Montessorischool van Maas en Waal in Amsterdam. “Ik ontdekte dat dit vak veel beter bij me past dan ik ooit had gedacht.”
De school ligt in de Rivierenbuurt, tussen de karakteristieke gebouwen van de Amsterdamse School. Ook binnen ademt de school een open, warme sfeer. Het montessorionderwijs zit diep in haar denken, vertelt ze. “Ik heb zelf nooit regulier onderwijs gehad. Combinatieklassen, zelfstandig werken in groepjes en kinderen op verschillende niveaus door elkaar: dat was voor mij normaal.”
We zien steeds meer jongeren hun studiekeuze uitstellen en twijfelen. “Als je twijfelt over je studiekeuze, loop dan gewoon eens een basisschool binnen. Ruik de potloden, hoor het geroezemoes, zie die kinderen over het schoolplein rennen. Als dát je niks doet, moet je hier natuurlijk niet willen werken. Maar als je voelt hoe bijzonder het is om met kinderen te zijn, dan weet je genoeg. En inmiddels verdien je in het basisonderwijs ook gewoon goed.”
Meelopen met de leerkracht
Hij vervolgt: “Ik zou er zelfs voor pleiten om op de middelbare school profielen te maken waarin onderwijs een plek krijgt; net zoals je nu zorgprofielen hebt. Laat leerlingen al vroeg kennismaken met het vak, bijvoorbeeld via een ‘onderwijsprofiel’ op de havo. Stel je school open, nodig jongeren uit om mee te lopen, laat het mooie van het vak zien en benoem het positieve. Soms is één kort gesprek of één dag meekijken al genoeg om iemand te laten voelen hoe gaaf dit werk is.”
Toch was zo’n ervaring niet hoe het voor Thijs klikte. “Mijn keuze voor de Pabo voelde bijna als toeval. Ik werkte bij een Amerikaans commercieel bedrijf, recht tegenover de Pabo die toen aan de Wenckebachweg zat. Het bedrijf ging reorganiseren. Ik ben gewoon bij de Pabo naar binnen gelopen en het was meteen duidelijk: dit ga ik doen! Ik heb me direct aangemeld. Ik heb nog even zonder werk thuis gezeten, maar wél met een duidelijk doel: leerkracht worden.”
In actie tegen de loonkloof
Hoewel Thijs het enorm naar zijn zin had als startende leerkracht, vond hij het salaris toentertijd veel te laag. “Tijdens mijn master Professioneel Meesterschap – ik was de enige student uit het primair onderwijs – schreef ik een essay over dat enorme salarisverschil. Ik zocht contact met de vakbond en het ministerie, maar kreeg geen helder antwoord op de vraag: waarom verdienen leraren in het basisonderwijs zoveel minder? Toen heb ik mijn onvrede op Twitter gezet – en dat ontplofte. Samen met de AOb, andere bonden én werkgevers ontketende hij in 2027 met ‘PO in Actie’ een protestactie. “Ineens bleek hoe het leefde: ruim 60.000 leraren wilden de loonkloof tussen basis- en voortgezet onderwijs dichten.”
Twee jaar later stapt hij zelfs in het bestuur van de AOb. Het zou nog een paar jaar duren voordat het salaris van po en vso-medewerkers gelijk werd getrokken met dat in het vo, maar dat was wel de kroon op zijn werk. “Daarnaast hebben we ook het Beroepsbeeld Leraar vastgesteld. Daarin staat wat ons vak precies inhoudt en welke kennis en vaardigheden daarvoor nodig zijn.”
Wakker liggen over de toekomst
Over welke ontwikkelingen in het onderwijs maakt hij zich nog zorgen? “Waar ik me écht zorgen over maak, is het groeiend aantal onbevoegde mensen voor de klas. Ik snap de nood – je wilt geen kinderen naar huis sturen en je school overeind houden – maar het doet onvermijdelijk iets met de kwaliteit van onderwijs. Het lerarentekort is een structurele crisis. De frustratie blijkt best hoog. “We drukken al jaren op de alarmknop maar elk jaar ontstaat weer de discussie bij het verschijnen van De Staat van het Onderwijs: wie krijgt de schuld van de dalende kwaliteit? Terwijl het hier niet gaat om cijfers in een rapport, maar om mijn leerlingen. Kinderen die volgend jaar misschien in een klas zitten zonder bevoegde leerkracht.”.
Noodplan lerarentekort
Hij mist een duidelijke, gezamenlijke visie. “Ik zie het lerarentekort als de moeder van alle toekomstige sociale én economische problemen. Als we dit niet serieus aanpakken, krijgen we daar gegarandeerd last van. Dat vraagt onder meer om stevige investeringen, een slimme campagne, andere havo-profielen, betere zijinstroom, meer opleidings- en werkplekken. En daarbij moeten we over onze eigen schaduw heen stappen en samen kijken wat er landelijk nodig is. Geen vingerwijzen,” benadrukt hij “maar een gedegen plan voor de komende tien jaar. In Amsterdam was het noodplan lerarentekort een mooie stap vooruit, maar als je zoiets niet blijft volgen en uitbouwen, wordt het uiteindelijk een politiek instrument – en daar schieten de kinderen in mijn klas niets mee op.”
De lat hoog houden
Bevoegde leraren voor de klas gaat verder dan alleen een diploma. “De Pabo is geen eindstation. Na je opleiding ben je niet ‘af’, je hebt een basis gelegd. Het échte leren gebeurt in de praktijk. Het lerarentekort is een veelkoppig monster, maar één ding moet overeind blijven: onze beroepstrots. Want ondanks alle problemen is dit werk zó mooi. Onderwijsmensen vinden hun vak vaak écht leuk – en dat mogen we veel vaker en veel harder laten horen.”, klinkt hij vastberaden.
Vol overtuiging voor dit vak kiezen
Wat wenst Thijs de jubilerende Pabo toe voor de komende 15 jaar? “Ik wens de Pabo twee dingen toe: een enorme toestroom aan studenten én een keiharde focus op lezen. Leren lezen – én lezen leuk maken – is zo’n essentieel onderdeel van ons vak dat het wat mij betreft bovenaan hoort te staan. Als je leraar wilt worden, hoor je zelf te lezen. Ik had een docent die in elke les voorlas. Dat is de sleutel: rijke, goede jeugdliteratuur waarmee kinderen niet alleen technisch leren lezen, maar ook leren denken, voelen en kritisch kijken.”
“De Amsterdamse Pabo is een sterk instituut, goed verbonden met de scholen, dat heb ik zelf als heel positief ervaren. Tegelijkertijd heb ik ook gemerkt hoe ongelijk de leescultuur verdeeld is: op een school in het centrum van Amsterdam herkenden kinderen de boeken meteen – ‘Dat heb ik thuis ook!’ – terwijl ik in Bos en Lommer op een school kwam waar bijna niet gelezen werd. Juist daarom: investeer in lezen, in jeugdliteratuur en in leraren die zelf lezers zijn. Daar begint het verschil.”
Thijs Roovers wist heel lang niet wat hij wilde. Op zijn 28e koos hij uiteindelijk vol overtuiging voor de Pabo en tijdens zijn eerste stage voelde hij: hier hoor ik thuis. “De bevlogen mensen, de cultuur van blijven leren en mogen groeien, dat had ik nog nooit ergens anders ervaren.” Dat salaris moest wel omhoog dus kwam hij in actie. Met succes! Nu staat hij weer met de ‘voeten in de klei’ zoals hij dat zegt, als leerkracht van een middenbouwgroep.
Thijs is duidelijk in zijn element. “Voor de klas staan vind ik heerlijk. Je kunt gewoon jezelf zijn, je hoeft geen rol te spelen. Natuurlijk is het een vak dat je moet leren maar ik kan me oprecht geen leuker werk voorstellen dan werken op een school. Ik ben eigenlijk de hele dag vrolijk, vind het fantastisch om te zien dat kinderen iets leren. Het is nooit saai.”, legt hij uit.
Mila van Beek (22) is deze zomer afgestudeerd en heeft een duidelijke mening over aanwezig zijn in de lessen. “Je wilt later toch ook dat jouw leerlingen in de klas zijn.” Na de zomer krijgt ze haar pabo-diploma. Ze heeft inmiddels een baan als ‘juf’. Hoe kijkt ze terug op de opleiding en wat staat haar te wachten in de klas?
Ze had zich goed georiënteerd en is naar allerlei open dagen geweest. “Ik heb vwo gedaan en had gehoord dat er ook een universitaire Pabo is. Dat klonk interessant, maar toen kwam corona. Ik kon niet meelopen of proefstuderen, dus het werd een beetje een gok.” De Universitaire Pabo van de Universiteit van Amsterdam (UPvA) – een samenwerking met Pabo HvA - bleek veel theoretischer dan verwacht. “Ik wilde gewoon juf worden. Daar heb ik geen universitaire vakken voor nodig. Mila begon bij de HvA opnieuw maar dat vond ze niet erg want daardoor begon ze gelijk met andere nieuwe klasgenoten waar je toch ook de hele opleiding mee doorloopt. “Dus wel fijn om die meteen te leren kennen; dat voelde ook wel logisch.”
Thijs Roovers Oud-student
''
Deze docent geeft zó enthousiast les dat je vanzelf zin krijgt om te komen. Dat heb ik onthouden: als ik zelf enthousiasme laat zien, wordt het meteen gezelliger in de klas
Mila van Beek
Ze merkte meteen het verschil tussen hbo en wo. “Het voelde op de HvA veel meer als ‘met je eigen klas’; je leert je medestudenten ook echt goed kennen. Op de UPvA had ik dat veel minder. De HvA voelt bijna als de middelbare school, maar dan een niveau hoger. Ik vind dat fijner. En vanaf het eerste jaar loop je stage. Dat was ik gelukkig al gewend van de UPvA, maar ik vind het ook echt een enorme meerwaarde. Veel vriendinnen die géén Pabo doen, doen pas in het laatste jaar van hun opleiding een afstudeerstage. Dan schrikken ze: ineens zien ze hoe het er écht aan toegaat in de praktijk en dat het heel anders is dan hun beeld van de studie. Bij een lerarenopleiding weet je vanaf het begin: dit is het werk dat je later gaat doen. Dat vind ik top.”
Lesgeven in een grootstedelijke, diverse klas
Lesgeven in een diverse klas vraagt bewustzijn en voorbereiding. “Op de Pabo krijg je daarom vakken als levensbeschouwing en burgerschap. In levensbeschouwing leer je hoe je het gesprek voert over verschillende meningen en culturen, en over de feestdagen en rituelen van allerlei religies. Bij burgerschap gaat het meer over democratie in de klas: hoe je samen besluiten neemt en leert respectvol met elkaar om te gaan.”
Tijdens de cultuurweek bezoeken de studenten bijvoorbeeld een synagoge, een kerk en een boeddhistische tempel. Alles is heel duidelijk gekoppeld aan de samenleving in Amsterdam: hoe ziet die eruit, en hoe neem je dat mee je klas in? “Je weet misschien niet alles van alle culturen en opvoedstijlen. Maar je leert genoeg om bewust en respectvol te handelen. Ik wist zelf bijvoorbeeld weinig van de islam, tot ik stageliep in Nieuw-West. Door wat ik op de Pabo had geleerd, kon ik meepraten over de Ramadan en het Offerfeest en daar rekening mee houden. Je ziet dan dat leerlingen oplichten: ‘Oh, juf snapt het.’ Dat vind ik misschien wel het mooiste aan werken in een grootstedelijke, diverse klas.”
Docenten hebben zelf voor de klas gestaan
Mila is erg te spreken over de docenten: “Ze voelen niet als ‘docent’, maar meer als een kritische vriend die het beste met je voor heeft. Je kunt bij hen terecht met problemen – ook die niet direct over hun eigen vak gaan. Bijna allemaal hebben ze zelf voor de klas gestaan. Ze vertellen niet alleen wat je zou moeten doen, ze weten hoe het in het echt gaat. Daardoor kun je met je stage-ervaringen bij hen terecht en hebben ze bijna altijd een bruikbaar antwoord.”
En ze heeft veel favoriete vakken. “Pedagogiek vond ik erg interessant: hoe kijk je rond in de klas? Hoe differentieer je? Hoe ga je om met bepaald gedrag? Dat ging echt over het praktische plaatje van: hoe dóe je het? En Christien, de docent, weet ontzettend veel! Je legt een casus voor en zij werkt hem helemaal met je uit, met tips en tricks. Heel fijn! In het tweede jaar had ik Floortje als kerndocent. Zij is gymdocent. Zij geeft zó enthousiast les dat je vanzelf zin krijgt om te komen. Dat heb ik onthouden: als ik zelf later enthousiasme laat zien, wordt het meteen gezelliger en loopt alles vlotter.”
Meer dan student: ambassadeur en verbinder
Maar Mila heeft niet alleen maar gestudeerd. Ze was ook nog klassenvertegenwoordiger, buddy voor middelbare scholieren en studentvoorlichter. “En tot eind van dit jaar was ik voorzitter van de opleidingscommissie (OC). Dat vond ik erg leuk om te doen. Je bent dan de stem van de studenten. Je gaat met de opleidingsmanager en docenten in gesprek over toetsen, examens; hoe dingen beter kunnen vanuit zowel student- als docentperspectief.”
“Ik ga nu nog een extra opleiding doen: de post-hbo Gedragsspecialist bij de iPabo in Amsterdam. In mijn stages zie ik steeds meer complex gedrag in de klas. Met passend onderwijs komen leerlingen met een ‘rugzakje’ ook bij jou. Hoe ga je daarmee om, terwijl je ook nog twintig andere leerlingen hebt? Ik wil daar meer handvatten voor. Daarom lijkt deze specialisatie me heel waardevol.”
“Inclusief onderwijs – dat kinderen zoveel mogelijk samen in één klas zitten – steun ik. Bij passend onderwijs heb ik meer twijfels. Sommige leerlingen hebben zulke specifieke behoeften dat ze in een gewone klas niet echt tot leren komen. Dan vind ik het eigenlijk niet eerlijk, in positieve zin, om ze in een setting te plaatsen waar je niet kan bieden wat ze nodig hebben. Als je een leerling hebt waar veel extra aandacht naartoe moet, is er geen tijd meer voor bijvoorbeeld een goede rekenles voor de twintig anderen. Als passend en inclusief onderwijs de norm is, moet er bijna standaard een onderwijsondersteuner in de klas zijn. Iemand met wie je het kunt verdelen. Als die er niet is, sta je er alleen voor.”
Een goede leerkracht heeft lessen gevolgd
Al een paar maanden wordt er gesproken over een ‘studeercrisis’: studenten komen nauwelijks naar de colleges. Mila heeft daar een duidelijke mening over. “Kom gewoon naar alle lessen! Sociaal sta je dan meteen veel sterker. Je bouwt een vaste groep om je heen op. En bovendien: je wordt leerkracht?! Je wilt later toch ook dat jouw leerlingen in de klas zijn. Ik ben voor een aanwezigheidsplicht: je komt hier om te leren hoe je een goede leerkracht wordt, en daar horen lessen bij.”
Mila van Beek (22) is deze zomer afgestudeerd en heeft een duidelijke mening over aanwezig zijn in de lessen. “Je wilt later toch ook dat jouw leerlingen in de klas zijn.” Na de zomer krijgt ze haar pabo-diploma. Ze heeft inmiddels een baan als ‘juf’. Hoe kijkt ze terug op de opleiding en wat staat haar te wachten in de klas?
Ze had zich goed georiënteerd en is naar allerlei open dagen geweest. “Ik heb vwo gedaan en had gehoord dat er ook een universitaire Pabo is. Dat klonk interessant, maar toen kwam corona. Ik kon niet meelopen of proefstuderen, dus het werd een beetje een gok.” De Universitaire Pabo van de Universiteit van Amsterdam (UPvA) – een samenwerking met Pabo HvA - bleek veel theoretischer dan verwacht. “Ik wilde gewoon juf worden. Daar heb ik geen universitaire vakken voor nodig. Mila begon bij de HvA opnieuw maar dat vond ze niet erg want daardoor begon ze gelijk met andere nieuwe klasgenoten waar je toch ook de hele opleiding mee doorloopt. “Dus wel fijn om die meteen te leren kennen; dat voelde ook wel logisch.”
''
Ruik de potloden, hoor het geroezemoes, zie die kinderen over het schoolplein rennen. Als je voelt hoe bijzonder het is om met kinderen te zijn, dan weet je genoeg
Thijs Roovers
We zien steeds meer jongeren hun studiekeuze uitstellen en twijfelen. “Als je twijfelt over je studiekeuze, loop dan gewoon eens een basisschool binnen. Ruik de potloden, hoor het geroezemoes, zie die kinderen over het schoolplein rennen. Als dát je niks doet, moet je hier natuurlijk niet willen werken. Maar als je voelt hoe bijzonder het is om met kinderen te zijn, dan weet je genoeg. En inmiddels verdien je in het basisonderwijs ook gewoon goed.”
Meelopen met de leerkracht
Hij vervolgt: “Ik zou er zelfs voor pleiten om op de middelbare school profielen te maken waarin onderwijs een plek krijgt; net zoals je nu zorgprofielen hebt. Laat leerlingen al vroeg kennismaken met het vak, bijvoorbeeld via een ‘onderwijsprofiel’ op de havo. Stel je school open, nodig jongeren uit om mee te lopen, laat het mooie van het vak zien en benoem het positieve. Soms is één kort gesprek of één dag meekijken al genoeg om iemand te laten voelen hoe gaaf dit werk is.”
Toch was zo’n ervaring niet hoe het voor Thijs klikte. “Mijn keuze voor de Pabo voelde bijna als toeval. Ik werkte bij een Amerikaans commercieel bedrijf, recht tegenover de Pabo die toen aan de Wenckebachweg zat. Het bedrijf ging reorganiseren. Ik ben gewoon bij de Pabo naar binnen gelopen en het was meteen duidelijk: dit ga ik doen! Ik heb me direct aangemeld. Ik heb nog even zonder werk thuis gezeten, maar wél met een duidelijk doel: leerkracht worden.”
In actie tegen de loonkloof
Hoewel Thijs het enorm naar zijn zin had als startende leerkracht, vond hij het salaris toentertijd veel te laag. “Tijdens mijn master Professioneel Meesterschap – ik was de enige student uit het primair onderwijs – schreef ik een essay over dat enorme salarisverschil. Ik zocht contact met de vakbond en het ministerie, maar kreeg geen helder antwoord op de vraag: waarom verdienen leraren in het basisonderwijs zoveel minder? Toen heb ik mijn onvrede op Twitter gezet – en dat ontplofte. Samen met de AOb, andere bonden én werkgevers ontketende hij in 2027 met ‘PO in Actie’ een protestactie. “Ineens bleek hoe het leefde: ruim 60.000 leraren wilden de loonkloof tussen basis- en voortgezet onderwijs dichten.”
Twee jaar later stapt hij zelfs in het bestuur van de AOb. Het zou nog een paar jaar duren voordat het salaris van po en vso-medewerkers gelijk werd getrokken met dat in het vo, maar dat was wel de kroon op zijn werk. “Daarnaast hebben we ook het Beroepsbeeld Leraar vastgesteld. Daarin staat wat ons vak precies inhoudt en welke kennis en vaardigheden daarvoor nodig zijn.”
Wakker liggen over de toekomst
Over welke ontwikkelingen in het onderwijs maakt hij zich nog zorgen? “Waar ik me écht zorgen over maak, is het groeiend aantal onbevoegde mensen voor de klas. Ik snap de nood – je wilt geen kinderen naar huis sturen en je school overeind houden – maar het doet onvermijdelijk iets met de kwaliteit van onderwijs. Het lerarentekort is een structurele crisis. De frustratie blijkt best hoog. “We drukken al jaren op de alarmknop maar elk jaar ontstaat weer de discussie bij het verschijnen van De Staat van het Onderwijs: wie krijgt de schuld van de dalende kwaliteit? Terwijl het hier niet gaat om cijfers in een rapport, maar om mijn leerlingen. Kinderen die volgend jaar misschien in een klas zitten zonder bevoegde leerkracht.”.
Noodplan lerarentekort
Hij mist een duidelijke, gezamenlijke visie. “Ik zie het lerarentekort als de moeder van alle toekomstige sociale én economische problemen. Als we dit niet serieus aanpakken, krijgen we daar gegarandeerd last van. Dat vraagt onder meer om stevige investeringen, een slimme campagne, andere havo-profielen, betere zijinstroom, meer opleidings- en werkplekken. En daarbij moeten we over onze eigen schaduw heen stappen en samen kijken wat er landelijk nodig is. Geen vingerwijzen,” benadrukt hij “maar een gedegen plan voor de komende tien jaar. In Amsterdam was het noodplan lerarentekort een mooie stap vooruit, maar als je zoiets niet blijft volgen en uitbouwen, wordt het uiteindelijk een politiek instrument – en daar schieten de kinderen in mijn klas niets mee op.”
De lat hoog houden
Bevoegde leraren voor de klas gaat verder dan alleen een diploma. “De Pabo is geen eindstation. Na je opleiding ben je niet ‘af’, je hebt een basis gelegd. Het échte leren gebeurt in de praktijk. Het lerarentekort is een veelkoppig monster, maar één ding moet overeind blijven: onze beroepstrots. Want ondanks alle problemen is dit werk zó mooi. Onderwijsmensen vinden hun vak vaak écht leuk – en dat mogen we veel vaker en veel harder laten horen.”, klinkt hij vastberaden.
Vol overtuiging voor dit vak kiezen
Wat wenst Thijs de jubilerende Pabo toe voor de komende 15 jaar? “Ik wens de Pabo twee dingen toe: een enorme toestroom aan studenten én een keiharde focus op lezen. Leren lezen – én lezen leuk maken – is zo’n essentieel onderdeel van ons vak dat het wat mij betreft bovenaan hoort te staan. Als je leraar wilt worden, hoor je zelf te lezen. Ik had een docent die in elke les voorlas. Dat is de sleutel: rijke, goede jeugdliteratuur waarmee kinderen niet alleen technisch leren lezen, maar ook leren denken, voelen en kritisch kijken.”
“De Amsterdamse Pabo is een sterk instituut, goed verbonden met de scholen, dat heb ik zelf als heel positief ervaren. Tegelijkertijd heb ik ook gemerkt hoe ongelijk de leescultuur verdeeld is: op een school in het centrum van Amsterdam herkenden kinderen de boeken meteen – ‘Dat heb ik thuis ook!’ – terwijl ik in Bos en Lommer op een school kwam waar bijna niet gelezen werd. Juist daarom: investeer in lezen, in jeugdliteratuur en in leraren die zelf lezers zijn. Daar begint het verschil.”
Thijs Roovers wist heel lang niet wat hij wilde. Op zijn 28e koos hij uiteindelijk vol overtuiging voor de Pabo en tijdens zijn eerste stage voelde hij: hier hoor ik thuis. “De bevlogen mensen, de cultuur van blijven leren en mogen groeien, dat had ik nog nooit ergens anders ervaren.” Dat salaris moest wel omhoog dus kwam hij in actie. Met succes! Nu staat hij weer met de ‘voeten in de klei’ zoals hij dat zegt, als leerkracht van een middenbouwgroep.
Thijs is duidelijk in zijn element. “Voor de klas staan vind ik heerlijk. Je kunt gewoon jezelf zijn, je hoeft geen rol te spelen. Natuurlijk is het een vak dat je moet leren maar ik kan me oprecht geen leuker werk voorstellen dan werken op een school. Ik ben eigenlijk de hele dag vrolijk, vind het fantastisch om te zien dat kinderen iets leren. Het is nooit saai.”, legt hij uit.
boekenliefde
Liselore Knigge dacht als zestienjarige niet aan een toekomst in het onderwijs. Ze wilde naar de toneelschool, maar die wereld voelde toen nog te groot en spannend. Daarom koos ze eerst voor Pabo HvA. Een keuze die onverwacht goed bleek uit te pakken. Na zeven jaar voor de klas staat ze inmiddels zes jaar aan het roer van de 15e Montessorischool van Maas en Waal in Amsterdam. “Ik ontdekte dat dit vak veel beter bij me past dan ik ooit had gedacht.”
De school ligt in de Rivierenbuurt, tussen de karakteristieke gebouwen van de Amsterdamse School. Ook binnen ademt de school een open, warme sfeer. Het montessorionderwijs zit diep in haar denken, vertelt ze. “Ik heb zelf nooit regulier onderwijs gehad. Combinatieklassen, zelfstandig werken in groepjes en kinderen op verschillende niveaus door elkaar: dat was voor mij normaal.”
Gemiddeld gaat het om ongeveer zes uur schermtijd per dag. Dan kun je je voorstellen welke andere ervaringen er niet plaatsvinden.
Liselore Knigge
''
Dat dat afwijkt van het vertrouwde beeld van een klas in rijen, waarin iedereen hetzelfde boek op dezelfde pagina openslaat, realiseert ze soms als nieuwe ouders komen kennismaken. “Ze zien kinderen zelfstandig werken, allerlei materialen en kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar.” Voor Liselore ligt daar precies de kracht van Montessori. “Maria Montessori heeft die materialen niet zomaar bedacht; er zit een duidelijke visie achter. Je kijkt naar wat een kind nú nodig heeft en past je aanpak daarop aan. Kinderen ontwikkelen daardoor zelfstandigheid en verantwoordelijkheid, en leren in hun eigen tempo. Dáár gaat mijn hart van aan.”
Van pabo naar toneelschool en terug
De keuze voor de Montessori-pabo lag achteraf voor de hand. Liselore zat op een daltonbasisschool, haar ouders studeerden pedagogiek en ze ging naar het Montessori Lyceum. “Een alternatieve kijk op onderwijs hoort gewoon bij mij.” Toch begint ze haar opleiding met het idee na haar propedeuse alsnog naar de acteursopleiding te gaan. De start op de pabo is stevig. Lange lesdagen en stages maken het intensief. Maar de praktijk en Montessori-lessen maken haar enthousiast. “Ik vond het zó leuk dat ik dacht: dit wil ik afmaken.”
Na de pabo gaat ze alsnog naar de toneelschool en werkt ze een paar jaar als acteur. Als ze in 2012 afstudeert, treffen grote bezuinigingen de culturele sector. Bovendien vindt ze het zwaar om voortdurend werk te moeten zoeken en zichzelf te verkopen. Haar pabodiploma biedt uitkomst. Via de basisschool waar ze eerder haar LIO-stage heeft gedaan, krijgt ze een baan aangeboden — niet in de middenbouw die zij voor ogen had, maar in de bovenbouw.
Dat blijkt een schot in de roos. “Kinderen van negen tot twaalf beginnen een beetje te puberen. Je moet houden van het sparren, de scherpe opmerkingen en het zoeken naar grenzen. Mij lag dat juist heel goed.” Ze werkte aanvankelijk ook met kleuters, maar ontdekte dat haar passie vooral bij de oudere basisschoolkinderen ligt.
Van de toneelschool heeft ze geen moment spijt. “Ik heb er vriendschappen en enorm veel bagage aan overgehouden. Ik durf voor groepen te spreken, ken mezelf goed en houd van creatief bezig zijn.” Die ervaring neemt ze mee haar school in. Met groep 8 schrijft en regisseert ze jaarlijks de eindmusical. “Dat theatrale, dat spelen en maken, hoort bij mij. Het verdwijnt nooit helemaal uit mijn werk.”
Een veranderende opvoedwereld
In bijna vijftien jaar Amsterdams basisonderwijs ziet Liselore het werk veranderen. Vooral de rol van ouders is groter geworden. “Professionals worden niet automatisch meer als experts gezien.” Ouders komen bijvoorbeeld met uitkomsten van online tests of informatie van ChatGPT over de ontwikkeling van hun kind. Liselore begrijpt de behoefte aan houvast: opvoeden is ingewikkelder geworden. Maar het vraagt ook om een stevige, empathische en duidelijke houding van leerkrachten. “Oudercontact leer je vaak pas echt als het spannend wordt.”
Schermgebruik speelt ook een grote rol. Op de 15e Montessorischool geldt een zero-tolerancebeleid voor mobiele telefoons en smartwatches. Kinderen mogen ze niet gebruiken. “Het leidt enorm af en kinderen kunnen die verantwoordelijkheid nog niet goed aan.”
Bang voor een bal
Liselore ziet dat kinderen minder buiten spelen, minder bewegen en veel tijd achter schermen doorbrengen. “Gemiddeld gaat het om ongeveer zes uur schermtijd per dag buiten schooltijd, voor kinderen tot ongeveer veertien jaar. Dan kun je je voorstellen welke andere ervaringen er niet plaatsvinden.” Mediawijsheid is daarom een steeds belangrijker deel van het onderwijs. WhatsApp-groepen, online uitsluiting en sociale media hebben direct invloed op het leven in de klas.
Ook overbescherming baart haar zorgen. “Kleuters zijn soms bang voor een bal, durven nauwelijks te vallen, lopen motorisch achter of hebben vaker overgewicht. Kinderen moeten ook leren omgaan met een conflict, een duw of iets wat niet prettig is. Dat hoort bij het leven.” Kinderen mogen zich volgens haar bovendien vervelen. “Daar leren ze van.”
Passie, verhalen en lezen
Wat wens je de pabo toe de komende 15 jaar? “Ik hoop dat de pabo de komende 15 jaar vooral één ding vasthoudt: passie. De passie van goede vakdocenten die zó bevlogen hun vak uitvoeren zoals Jos Calis, die zo enthousiast over kinderliteratuur vertelde. En Erwin Jansen, die kom ik nog steeds tegen bij diplomeringen van mijn stagiaires. Die bevlogenheid is misschien wel het belangrijkste wat je toekomstige leerkrachten kunt meegeven – en daarmee uiteindelijk ook de kinderen in de klas. Geef kinderen het gevoel dat hun verhaal ertoe doet.”
De magie van voorlezen
“Lezen is echt magisch: dat er werelden voor hen opengaan in boeken. Voorlezen is de basis voor technisch en begrijpend lezen, en daarmee voor alles wat daarna komt: middelbare school, studie, werk. Dat is een uitdaging in een tijd waarin schermen veel aandacht opslokken. Juist daarom heb je leerkrachten nodig die weten waarom ze doen wat ze doen – en dat met vuur kunnen overbrengen.”
Van ontdekken waar je thuishoort tot opkomen voor je vak: de Pabo HvA was voor Thijs Roovers, Liselore Knigge en Mila van Beek het begin van hun carrière in het basisonderwijs. Wat hebben zij meegenomen uit de collegebanken en geleerd van hun stages? Hoe kijken zij terug op die tijd? “De bevlogen mensen, de cultuur van blijven leren en mogen groeien, dat had ik nog nooit ergens anders ervaren.”