Voor het 150-jarig bestaan van Pabo HvA gingen we in gesprek met Loek Spitz, opleidingsmanager van Pabo HvA, en Johan Jelsma, die tot eind 2025 opleidingsmanager van Pabo HvA was. Afgelopen nieuwjaarsnacht droeg Johan symbolisch de fakkel over aan Loek. Hoe kijkt Johan terug op de afgelopen jaren? Wat gaat Loek verder ontwikkelen om die goede leerkrachten op te kunnen leiden? En wat maakt deze jubilerende pabo in hun ogen zo bijzonder?

“Onze docenten brengen het vonkje bij de studenten over om zelf die goede leerkracht te willen zijn die elk kind verdient.”

Interview opleidingsmanagers

150 jaar lesgeven in de grote stad 

Johan Jelsma

Als je terugkijkt op de afgelopen jaren wat springt er dan uit voor jou Johan?

Johan: “Het belangrijkste in de ontwikkelingen van de afgelopen jaren is samenwerking. Die samenwerking vindt plaats met collega’s en oud-collega’s binnen de opleiding, maar ook binnen de faculteit en de hogeschool. Daarnaast is de verbinding met mensen uit het werkveld en met partners in het onderwijs onmisbaar. Uiteindelijk draaien alle innovaties, ontwikkelingen en activiteiten om de relaties die je met elkaar opbouwt. De band tussen betrokkenen bepaalt vaak of een ontwikkeling succesvol wordt of niet. Als ik terugkijk op deze periode, valt me vooral de onderlinge verbinding op: elkaar iets gunnen, vertrouwen hebben in elkaar en, ondanks verschillende perspectieven, samen willen werken aan hetzelfde doel. Ik kijk ook echt met een positief gevoel terug op de samenwerkingen.”

Herken jij dat Loek? In de afgelopen jaren maar ook nu?

Loek: “Zeker. Ik denk dat dat ook wel iets weergeeft van de complexe wereld waarbinnen de pabo zich bevindt waardoor die samenwerking ook steeds nodig is om tot successen te komen. Ons motto - ieder kind verdient een goede leerkracht - is wat dat betreft wel een mooie samenvatting van dat gezamenlijk doel. Want dat is precies waar in het werkveld naar gekeken wordt. We hebben soms verschillende inzichten over hoe je dat het beste bereikt maar als je vanuit die gezamenlijkheid begint dan komt het goed.”

Kun je een voorbeeld noemen hoe die samenwerking heeft geholpen of goed tot uiting kwam?

Johan: “Toen ik eind 2009 bij Pabo HvA kwam, was dat best een roerige periode. De accreditaties waren net geweest en een aantal pabo’s, waaronder die van ons, kreeg een verlengd bezoek. De politieke druk op het kwaliteitsvraagstuk van de pabo’s was groot.

Dat werd eigenlijk het vliegwiel voor verandering. We hebben met het kernteam gekeken naar het programma dat er lag. Ik heb dat wel eens vergeleken met een ooit prachtig flatgebouw, waar door de jaren heen allerlei uitbouwsels aan waren gezet en onderdelen uit waren gehaald. Dan krijg je een grillig gebouw, waarin de samenhang en consistentie een beetje verdwijnen.

Vanaf 2010 zijn we daarom met het hele team gaan bouwen aan een nieuw curriculum. Het gezamenlijke uitgangspunt werd urban education: leren lesgeven in de grote stad, in de grootstedelijke context. Daar hebben we als team hard aan gewerkt.

Dat nieuwe programma gaf ons vervolgens echt de wind in de zeilen. We kwamen goed door de accreditaties, de opleiding kreeg weer houvast en structuur, en docenten konden zich daar ook beter toe verhouden. Het hielp ons bovendien om duidelijker te vertellen waar we als Pabo HvA voor staan en om de samenwerking met het werkveld, waaronder het Samen Opleiden, verder vorm te geven.”

Loek: “In het verlengde van die samenwerking met het werkveld zijn ook echt wel grote en betekenisvolle stappen gezet die ook niet altijd overal vanzelfsprekend zijn. Zoals een verregaande samenwerking waarin ook onze schoolopleiders de studenten beoordelen. Zij worden aangewezen door de examencommissie als beoordelaars van het werkplekleren dus je ziet ook dat we écht samen opleiden.”

Johan: “Dat komt dus voor een groot deel uit het programma dat we in 2010 hebben ontwikkeld. We maakten toen bewust de keuze om studenten niet langer overal stage te laten lopen, maar vooral op scholen in Amsterdam. Daarmee kwam de grootstedelijke context nadrukkelijker centraal te staan. Deze vernieuwingsslag heeft er ook toe geleid dat schoolopleiders een grotere rol kregen, bijvoorbeeld bij de praktijkbeoordeling van studenten. Daarnaast hebben we het werkveld nadrukkelijker betrokken bij de inhoud van het curriculum.

Vanuit scholen kwam bijvoorbeeld ook de vraag om meer aandacht te besteden aan oudercommunicatie. Studenten vonden gesprekken met ouders vaak lastig. Daarom hebben we dit onderwerp bewust en stevig in het programma opgenomen. Ook leerden we studenten beter omgaan met de diversiteit van kinderen in de klas en met de vraag hoe zij hun onderwijs daarop kunnen afstemmen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de huidige profilering in het aanbod, met onderwerpen als meertaligheid, de gezonde school en kansengelijkheid.

De stevige basis van het vernieuwde curriculum maakte het bovendien makkelijker om nieuwe trajecten te ontwikkelen, zoals de Pabo-ALO en het programma voor zijinstromers. Loek bouwt daar weer op voort.”

Loek: “We werken nu aan een volgend vernieuwingstraject. Daarbij willen we ervoor zorgen dat studenten gemakkelijker kunnen overstappen tussen de verschillende opleidingsvarianten. De programma’s moeten daarom goed op elkaar aansluiten, zodat alle studenten met dezelfde basiskwaliteiten het werkveld instromen.

Tegelijkertijd spelen er nieuwe vraagstukken waarop we als opleiding moeten inspelen, zoals het gebruik van AI en telefoons in de klas. Ook willen we de samenhang tussen pedagogische vaardigheden, algemene didactische vaardigheden en vakinhoudelijke kennis duidelijker maken. Die basis is in ieder vak aanwezig. Een rekenles geven is natuurlijk niet hetzelfde als een taalles geven, maar de onderliggende principes van goed lesgeven komen overeen. We willen dat studenten deze verbanden beter leren herkennen en toepassen. Docenten hadden die samenhang al scherp voor ogen, maar we willen dit ook explicieter maken in het onderwijsprogramma.

Daarnaast begint een nieuwe fase in de samenwerking met het werkveld. We werken bijvoorbeeld met twee programmaleiders: één vanuit de Pabo en één vanuit het werkveld. Zo brengen we beide perspectieven en expertises samen. Dat past bij het uitgangspunt van samen opleiden: gezamenlijk bepalen wat toekomstige leerkrachten nodig hebben en hoe we de opleiding daarop kunnen inrichten.”

Hebben die vernieuwingen en opleidingsvarianten er ook voor gezorgd dat Pabo HvA is gegroeid?

Johan: “Ja daarmee is de omvang zeker toegenomen en daar zijn we, gezien het lerarentekort erg blij mee. Zowel het zij-instroomtraject als de samenwerking met de ALO zijn daarin gouden keuzes geweest en hebben in deze regio echt meer studenten opgeleverd.”

Loek: “Het zijn zeker meer studenten en daarmee is het tegelijk ook complexer geworden. Al die opleidingsvarianten moeten goed op elkaar afgestemd zijn.”

Johan: “De Pabo heeft te maken met verschillende vormen van complexiteit. Die spelen niet alleen binnen de opleiding, maar komen ook voort uit ontwikkelingen in de politiek, in de maatschappij en het publieke debat. Op veel van deze ontwikkelingen heeft de opleiding zelf weinig invloed. De uitdaging is om steeds een goede balans te vinden tussen wat van buiten wordt gevraagd en wat de opleiding zelf belangrijk vindt.

Juist de lerarenopleiding basisonderwijs staat sterk in de maatschappelijke en politieke belangstelling. Er ligt geen enkele opleiding zo onder een vergrootglas als de pabo, zeker wanneer het gaat om de kwaliteit van toekomstige leerkrachten. Die voortdurende aandacht heeft invloed op de omgeving én op de inrichting van de opleiding. Het betekent dat de pabo zich steeds opnieuw moet ontwikkelen en vernieuwen.

Loek: “Dat voortdurende vergrootglas is niet uniek voor één instelling: iedere pabo heeft ermee te maken. De kunst is om onder die druk te blijven werken aan een opleiding die flexibel, samenhangend en kwalitatief sterk is. Tegelijkertijd werken er bij Pabo HvA bevlogen professionals die zich, ook zonder externe druk, voortdurend inzetten voor goed onderwijs voor álle leerlingen. Zij denken steeds na over vragen als: hoe kunnen we onze studenten nog beter voorbereiden op hun rol als leerkracht? Wat hebben zij nodig om leerlingen optimaal te ondersteunen? En ligt de nadruk daarbij vooral op eigen vaardigheden, didactische vaardigheden, of juist op een goede balans tussen beide?

Die voortdurende ontwikkeling gebeurt dus al van nature. De maatschappelijke en politieke aandacht voor tegenvallende resultaten in het basisonderwijs zorgt echter wel voor extra druk. Al snel wordt dan de conclusie getrokken dat er iets misgaat op basisscholen en vervolgens ook op de pabo’s. Die redenering is begrijpelijk, maar ook te eenvoudig.

Kinderen groeien op in een andere wereld dan vijftien of twintig jaar geleden. Veranderingen in de samenleving, thuisomgeving, media en technologie hebben invloed op hun ontwikkeling en daarmee ook op hun leerprestaties. Het is daarom niet vreemd dat basisvaardigheden onder druk kunnen komen te staan. Scholen en pabo’s proberen daar vanzelfsprekend op te reageren, maar hun taak is daardoor complexer geworden, terwijl de beschikbare middelen niet altijd meegroeien.

Dat betekent niet dat we niets kunnen doen. Juist omdat we goede kansen voor ieder kind belangrijk vinden, blijven scholen en pabo’s kritisch kijken naar wat beter kan. Tegelijkertijd is het belangrijk om te erkennen dat onderwijs niet op zichzelf staat. Een kind brengt slechts een deel van de dag door op school; ook daarbuiten spelen veel factoren mee in de ontwikkeling en het leren.”

Wat onderscheidt volgens jullie Pabo HvA van andere pabo’s?

Johan: “Wat de Pabo van de HvA onderscheidt van andere pabo’s, is vooral de bewuste keuze voor het opleiden van leerkrachten voor het onderwijs in de grote stad. Die keuze komt terug in de accenten die de opleiding legt, bijvoorbeeld op kansengelijkheid en meertaligheid.

Dit onderscheid ontstaat niet alleen binnen de opleiding zelf, maar juist ook door de samenwerking binnen de faculteit. Het Kenniscentrum en het onderzoek versterken het onderwijsprogramma. Zo zijn er in het verleden onderzoeksubsidies toegekend voor thema’s als oudercommunicatie. De kennis en initiatieven die daaruit voortkomen, krijgen vervolgens een plek in de opleiding en de praktijk. Het is dus een samenspel van onderwijs, onderzoek en de grootstedelijke context. Natuurlijk heeft iedere Pabo eigen accenten en specialisaties.

Loek: “Gelukkig is er een goede samenwerking met de andere pabo’s in Nederland. Die samenwerking is gericht op een gezamenlijk doel: zo veel mogelijk goed opgeleide leerkrachten afleveren.

Tegelijkertijd heeft Pabo HvA een duidelijk eigen profiel. De grootstedelijke context speelt daarin een centrale rol. De opleiding bevindt zich niet alleen middenin Amsterdam, maar richt het onderwijs ook bewust in op de vraagstukken en mogelijkheden die horen bij lesgeven in een grote stad. Voor aankomende studenten kan dit een belangrijk onderscheid zijn. Wie wil leren lesgeven in een diverse, dynamische en grootstedelijke omgeving, vindt bij Pabo HvA een opleiding die daar nadrukkelijk op is ingericht. Die focus maakt de opleiding niet per se volledig uniek, maar wel herkenbaar en onderscheidend.

Wij willen je leren hoe je, op wat voor soort school je ook terechtkomt, aansluit bij wat er op die school nodig is. Dat betekent dat je niet alleen de school zelf leert begrijpen, maar ook de omgeving ervan: de kinderen die er komen, de ouders, je collega’s, hoe zij werken, hoe de school in elkaar zit en wat iedereen nodig heeft. De grote variëteit aan scholen en omgevingen helpt daarbij. Zo leer je omgaan met verschillen en kun je je als leerkracht aanpassen aan de context waarin je werkt.

Opleiden voor de grootstedelijke context betekent niet dat een school in een dorp vanzelfsprekend eenvoudiger is dan een school in de stad. De complexiteit van het onderwijs hangt af van de specifieke school, de leerlingen en de omgeving. Ook buiten de grote stad kunnen leerkrachten te maken krijgen met complexe situaties.

Daarom leren studenten vooral om goed te kijken naar de context waarin zij werken. Zij onderzoeken wat voor school het is, wie de leerlingen en ouders zijn, wat de omgeving met zich meebrengt en wat dat vraagt van hun handelen als leerkracht.”

Heb je het idee dat we als hogeschool voldoende bijdragen aan het lerarentekort?

Loek: “We proberen kansen te benutten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan meer goed opgeleide leerkrachten. Daarbij wordt steeds afgewogen wat een traject vraagt aan investering en wat het uiteindelijk oplevert.

Een belangrijk voorbeeld is de ontwikkeling van het zijinstroomtraject, naast opleidingen zoals de Pabo-ALO. Bij het zijinstroomtraject is goed gekeken naar wat deze groep nodig heeft. Het programma was in eerste instantie gebaseerd op de deeltijdvariant, maar bleek niet op alle punten passend voor zijinstromers. Door samen met zijinstromers te onderzoeken wat wel werkt, hebben we de opleiding aangepast. Daardoor krijgen deelnemers meer kans om het traject in één keer succesvol af te ronden. Daarnaast hebben we ook verschillende trajecten opgezet waarvan verwacht werd dat dit veel nieuwe leerkrachten zou kunnen opleveren. Maar na een tijdje bleek dat dat traject onvoldoende resultaat had. We zijn ermee gestopt. Zo blijven we kritisch kijken naar welke aanpak echt bijdraagt aan het terugdringen van het lerarentekort.”

Johan: “En ook dat doen we in Amsterdam samen met de iPabo. Op basis van vragen uit het werkveld is bijvoorbeeld onderzocht of er gezamenlijke trajecten voor onderwijsassistenten konden worden opgezet. Dit initiatief bleek uiteindelijk minder succesvol, omdat er te weinig animo voor was. Daarnaast ontstaan ook nieuwe ideeën binnen de opleiding. We kijken steeds welke initiatieven kunnen bijdragen aan een grotere instroom van toekomstige leerkrachten.

De HvA is een grote speler in Amsterdam. De lijnen met scholen, gemeente en andere partners zijn kort en nieuwe initiatieven kunnen relatief snel worden opgezet. Dat helpt om te blijven innoveren en te onderzoeken welke aanpakken daadwerkelijk aanslaan.”

En hoe kijk je naar de komende jaren Loek?

Loek: “De komende jaren ligt een belangrijk deel van het werk bij de verdere ontwikkeling van het nieuwe curriculum. Het curriculum heeft inmiddels een stevige basis, maar wordt tijdens de uitvoering voortdurend geëvalueerd en waar nodig aangepast. In de praktijk blijkt altijd welke onderdelen anders of beter kunnen.

Daarnaast is de samenwerking met het werkveld vernieuwd. Met twee programmaleiders voor het samenwerkingsverband is een andere structuur ontstaan, waar mogelijk nog meer schoolbesturen bij aansluiten. De komende tijd wordt onderzocht hoe deze samenwerking verder kan worden versterkt en wat beide partijen er nog meer uit kunnen halen.

Ook binnen het docententeam liggen kansen voor verdere ontwikkeling. Het team beschikt over veel vakkennis, praktijkervaring en inzicht in wat het onderwijs vraagt. Door nog meer als lerend team samen te werken, kennis te delen en gezamenlijk stappen te zetten, kan de opleiding zich verder blijven ontwikkelen.”

Dat klinkt optimistisch. Hoe was voor jou en voor je team de overgang van teamleider naar opleidingsmanager?

Loek: “De overgang van teamleider naar opleidingsmanager is eigenlijk heel prettig verlopen. Ik heb veel positieve reacties van collega’s ontvangen en ervaar ook echt draagvlak binnen het team. De stap voelde ook natuurlijk, omdat ik als teamleider al intensief samenwerkte met Johan en op vergelijkbaar niveau meedacht en beslissingen nam. Het belangrijkste verschil is dat ik nu zelf eindverantwoordelijk ben.

De organisatie van de Pabo is ook niet sterk hiërarchisch. Besluiten worden veelal in overleg genomen met teamleiders en andere betrokken collega’s. Ik ervaar ook geen weerstand of afgunst vanuit het team, maar juist een prettige samenwerking en vertrouwen.”

Johan: “We hebben altijd intensief samengewerkt, waardoor de overgang geleidelijk en vertrouwd kon verlopen. Ik heb het team altijd als bijzonder plezierig ervaren, niet alleen door de deskundigheid en bevlogenheid van de collega’s, maar ook door de samenstelling ervan. Binnen één team komen alle vakgebieden van het basisonderwijs samen. Collega’s hebben ieder hun eigen opleiding, expertise en invalshoek, maar vormen gezamenlijk één team. Juist die combinatie van verschillende vaksecties en unieke bijdragen maakt het team sterk en waardevol.

Jullie zijn duidelijk heel trots op het team van Pabo HvA…

Loek: “Onze docenten zijn niet alleen inhoudelijke experts maar vooral ook zelf deskundig in het geven van goed onderwijs. De meesten hebben ervaring in het basisonderwijs en weten dus vanuit de praktijk wat lesgeven vraagt. Dat maakt onze Pabo ook zo bijzonder: docenten moeten niet alleen goed onderwijs verzorgen, maar studenten ook laten zien en uitleggen hoe zij dat later zelf kunnen doen. Zij hebben daarmee een voorbeeldfunctie. Dit leidt ook tot meer onderwijsinhoudelijke gesprekken over het curriculum dan bij opleidingen waar docenten minder didactische ervaring hebben.”

Johan: “We hebben het aannamebeleid voor docenten aangescherpt. Docenten moeten zelf een Pabo-opleiding hebben afgerond en een universitaire opleiding of masteropleiding in een van de Pabo-vakgebieden hebben gevolgd. Daarmee selecteren we bewust op een brede en passende expertise voor het basisonderwijs. Docenten beschikken niet alleen over vakinhoudelijke kennis, maar begrijpen ook wat het vraagt om leerkracht te zijn en leerlingen in de volle breedte te begeleiden. De kwaliteit van het docententeam is hoog. Ook uit accreditaties blijkt dat we beschikken over een deskundig en bevlogen team. Juist deze docenten hebben een belangrijke rol: zij zijn degenen die het vonkje bij de studenten moeten overbrengen om zelf die goede leerkracht te willen zijn die elk kind verdient.”

 

Johan Jelsma was opleidingsmanager Pabo HvA van oktober 2009 tot en met december 2025. Daarvoor was hij werkzaam bij de politie. Hij noemt onmiddellijk Kikker van Max Veldhuis als favoriet kinderboek. Vooral ook omdat in deze boekenserie soms complexe thema’s op een eenvoudige manier aan de orde komen. En in een andere leeftijdscategorie wil hij ook zeker nog de titels Lampje en Krekel van Annet Schaap als favorieten noemen. “Prachtige boeken met een diepere gelaagdheid.”

Loek Spitz

Loek Spitz is vanaf januari 2026 opleidingsmanager van Pabo HvA. Hij is gepromoveerd in wiskunde en als docent in 2014 gestart bij UPvA. Afgelopen jaren was hij teamleider bij Pabo HvA. Hij leest graag voor uit Kikker & Pad van Arnold Lobel en uit Oom Olifant van dezelfde schrijver. En ook klassieker Paulus de Boskabouter (Jan Dulieu) staat ook hoog op zijn favorietenlijstje.

Even voorstellen 

Voor het 150-jarig bestaan van Pabo HvA gingen we in gesprek met Loek Spitz, opleidingsmanager van Pabo HvA, en Johan Jelsma, die tot eind 2025 opleidingsmanager van Pabo HvA was. Afgelopen nieuwjaarsnacht droeg Johan symbolisch de fakkel over aan Loek. Hoe kijkt Johan terug op de afgelopen jaren? Wat gaat Loek verder ontwikkelen om die goede leerkrachten op te kunnen leiden? En wat maakt deze jubilerende pabo in hun ogen zo bijzonder?

“Onze docenten brengen het vonkje bij de studenten over om zelf die goede leerkracht te willen zijn die elk kind verdient.”

Interview opleidingsmanagers

150 jaar lesgeven in de grote stad 

Als je terugkijkt op de afgelopen jaren wat springt er dan uit voor jou Johan?

Johan: “Het belangrijkste in de ontwikkelingen van de afgelopen jaren is samenwerking. Die samenwerking vindt plaats met collega’s en oud-collega’s binnen de opleiding, maar ook binnen de faculteit en de hogeschool. Daarnaast is de verbinding met mensen uit het werkveld en met partners in het onderwijs onmisbaar. Uiteindelijk draaien alle innovaties, ontwikkelingen en activiteiten om de relaties die je met elkaar opbouwt. De band tussen betrokkenen bepaalt vaak of een ontwikkeling succesvol wordt of niet. Als ik terugkijk op deze periode, valt me vooral de onderlinge verbinding op: elkaar iets gunnen, vertrouwen hebben in elkaar en, ondanks verschillende perspectieven, samen willen werken aan hetzelfde doel. Ik kijk ook echt met een positief gevoel terug op de samenwerkingen.”

Herken jij dat Loek? In de afgelopen jaren maar ook nu?

Loek: “Zeker. Ik denk dat dat ook wel iets weergeeft van de complexe wereld waarbinnen de pabo zich bevindt waardoor die samenwerking ook steeds nodig is om tot successen te komen. Ons motto - ieder kind verdient een goede leerkracht - is wat dat betreft wel een mooie samenvatting van dat gezamenlijk doel. Want dat is precies waar in het werkveld naar gekeken wordt. We hebben soms verschillende inzichten over hoe je dat het beste bereikt maar als je vanuit die gezamenlijkheid begint dan komt het goed.”

Kun je een voorbeeld noemen hoe die samenwerking heeft geholpen of goed tot uiting kwam?

Johan: “Toen ik eind 2009 bij Pabo HvA kwam, was dat best een roerige periode. De accreditaties waren net geweest en een aantal pabo’s, waaronder die van ons, kreeg een verlengd bezoek. De politieke druk op het kwaliteitsvraagstuk van de pabo’s was groot.

Dat werd eigenlijk het vliegwiel voor verandering. We hebben met het kernteam gekeken naar het programma dat er lag. Ik heb dat wel eens vergeleken met een ooit prachtig flatgebouw, waar door de jaren heen allerlei uitbouwsels aan waren gezet en onderdelen uit waren gehaald. Dan krijg je een grillig gebouw, waarin de samenhang en consistentie een beetje verdwijnen.

Vanaf 2010 zijn we daarom met het hele team gaan bouwen aan een nieuw curriculum. Het gezamenlijke uitgangspunt werd urban education: leren lesgeven in de grote stad, in de grootstedelijke context. Daar hebben we als team hard aan gewerkt.

Dat nieuwe programma gaf ons vervolgens echt de wind in de zeilen. We kwamen goed door de accreditaties, de opleiding kreeg weer houvast en structuur, en docenten konden zich daar ook beter toe verhouden. Het hielp ons bovendien om duidelijker te vertellen waar we als Pabo HvA voor staan en om de samenwerking met het werkveld, waaronder het Samen Opleiden, verder vorm te geven.”

Loek: “In het verlengde van die samenwerking met het werkveld zijn ook echt wel grote en betekenisvolle stappen gezet die ook niet altijd overal vanzelfsprekend zijn. Zoals een verregaande samenwerking waarin ook onze schoolopleiders de studenten beoordelen. Zij worden aangewezen door de examencommissie als beoordelaars van het werkplekleren dus je ziet ook dat we écht samen opleiden.”

Johan: “Dat komt dus voor een groot deel uit het programma dat we in 2010 hebben ontwikkeld. We maakten toen bewust de keuze om studenten niet langer overal stage te laten lopen, maar vooral op scholen in Amsterdam. Daarmee kwam de grootstedelijke context nadrukkelijker centraal te staan. Deze vernieuwingsslag heeft er ook toe geleid dat schoolopleiders een grotere rol kregen, bijvoorbeeld bij de praktijkbeoordeling van studenten. Daarnaast hebben we het werkveld nadrukkelijker betrokken bij de inhoud van het curriculum.

Vanuit scholen kwam bijvoorbeeld ook de vraag om meer aandacht te besteden aan oudercommunicatie. Studenten vonden gesprekken met ouders vaak lastig. Daarom hebben we dit onderwerp bewust en stevig in het programma opgenomen. Ook leerden we studenten beter omgaan met de diversiteit van kinderen in de klas en met de vraag hoe zij hun onderwijs daarop kunnen afstemmen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de huidige profilering in het aanbod, met onderwerpen als meertaligheid, de gezonde school en kansengelijkheid.

De stevige basis van het vernieuwde curriculum maakte het bovendien makkelijker om nieuwe trajecten te ontwikkelen, zoals de Pabo-ALO en het programma voor zijinstromers. Loek bouwt daar weer op voort.”

Loek: “We werken nu aan een volgend vernieuwingstraject. Daarbij willen we ervoor zorgen dat studenten gemakkelijker kunnen overstappen tussen de verschillende opleidingsvarianten. De programma’s moeten daarom goed op elkaar aansluiten, zodat alle studenten met dezelfde basiskwaliteiten het werkveld instromen.

Tegelijkertijd spelen er nieuwe vraagstukken waarop we als opleiding moeten inspelen, zoals het gebruik van AI en telefoons in de klas. Ook willen we de samenhang tussen pedagogische vaardigheden, algemene didactische vaardigheden en vakinhoudelijke kennis duidelijker maken. Die basis is in ieder vak aanwezig. Een rekenles geven is natuurlijk niet hetzelfde als een taalles geven, maar de onderliggende principes van goed lesgeven komen overeen. We willen dat studenten deze verbanden beter leren herkennen en toepassen. Docenten hadden die samenhang al scherp voor ogen, maar we willen dit ook explicieter maken in het onderwijsprogramma.

Daarnaast begint een nieuwe fase in de samenwerking met het werkveld. We werken bijvoorbeeld met twee programmaleiders: één vanuit de Pabo en één vanuit het werkveld. Zo brengen we beide perspectieven en expertises samen. Dat past bij het uitgangspunt van samen opleiden: gezamenlijk bepalen wat toekomstige leerkrachten nodig hebben en hoe we de opleiding daarop kunnen inrichten.”

Hebben die vernieuwingen en opleidingsvarianten er ook voor gezorgd dat Pabo HvA is gegroeid?

Johan: “Ja daarmee is de omvang zeker toegenomen en daar zijn we, gezien het lerarentekort erg blij mee. Zowel het zij-instroomtraject als de samenwerking met de ALO zijn daarin gouden keuzes geweest en hebben in deze regio echt meer studenten opgeleverd.”

Loek: “Het zijn zeker meer studenten en daarmee is het tegelijk ook complexer geworden. Al die opleidingsvarianten moeten goed op elkaar afgestemd zijn.”

Johan: “De Pabo heeft te maken met verschillende vormen van complexiteit. Die spelen niet alleen binnen de opleiding, maar komen ook voort uit ontwikkelingen in de politiek, in de maatschappij en het publieke debat. Op veel van deze ontwikkelingen heeft de opleiding zelf weinig invloed. De uitdaging is om steeds een goede balans te vinden tussen wat van buiten wordt gevraagd en wat de opleiding zelf belangrijk vindt.

Juist de lerarenopleiding basisonderwijs staat sterk in de maatschappelijke en politieke belangstelling. Er ligt geen enkele opleiding zo onder een vergrootglas als de pabo, zeker wanneer het gaat om de kwaliteit van toekomstige leerkrachten. Die voortdurende aandacht heeft invloed op de omgeving én op de inrichting van de opleiding. Het betekent dat de pabo zich steeds opnieuw moet ontwikkelen en vernieuwen.

Loek: “Dat voortdurende vergrootglas is niet uniek voor één instelling: iedere pabo heeft ermee te maken. De kunst is om onder die druk te blijven werken aan een opleiding die flexibel, samenhangend en kwalitatief sterk is. Tegelijkertijd werken er bij Pabo HvA bevlogen professionals die zich, ook zonder externe druk, voortdurend inzetten voor goed onderwijs voor álle leerlingen. Zij denken steeds na over vragen als: hoe kunnen we onze studenten nog beter voorbereiden op hun rol als leerkracht? Wat hebben zij nodig om leerlingen optimaal te ondersteunen? En ligt de nadruk daarbij vooral op eigen vaardigheden, didactische vaardigheden, of juist op een goede balans tussen beide?

Die voortdurende ontwikkeling gebeurt dus al van nature. De maatschappelijke en politieke aandacht voor tegenvallende resultaten in het basisonderwijs zorgt echter wel voor extra druk. Al snel wordt dan de conclusie getrokken dat er iets misgaat op basisscholen en vervolgens ook op de pabo’s. Die redenering is begrijpelijk, maar ook te eenvoudig.

Kinderen groeien op in een andere wereld dan vijftien of twintig jaar geleden. Veranderingen in de samenleving, thuisomgeving, media en technologie hebben invloed op hun ontwikkeling en daarmee ook op hun leerprestaties. Het is daarom niet vreemd dat basisvaardigheden onder druk kunnen komen te staan. Scholen en pabo’s proberen daar vanzelfsprekend op te reageren, maar hun taak is daardoor complexer geworden, terwijl de beschikbare middelen niet altijd meegroeien.

Dat betekent niet dat we niets kunnen doen. Juist omdat we goede kansen voor ieder kind belangrijk vinden, blijven scholen en pabo’s kritisch kijken naar wat beter kan. Tegelijkertijd is het belangrijk om te erkennen dat onderwijs niet op zichzelf staat. Een kind brengt slechts een deel van de dag door op school; ook daarbuiten spelen veel factoren mee in de ontwikkeling en het leren.”

Wat onderscheidt volgens jullie Pabo HvA van andere pabo’s?

Johan: “Wat de Pabo van de HvA onderscheidt van andere pabo’s, is vooral de bewuste keuze voor het opleiden van leerkrachten voor het onderwijs in de grote stad. Die keuze komt terug in de accenten die de opleiding legt, bijvoorbeeld op kansengelijkheid en meertaligheid.

Dit onderscheid ontstaat niet alleen binnen de opleiding zelf, maar juist ook door de samenwerking binnen de faculteit. Het Kenniscentrum en het onderzoek versterken het onderwijsprogramma. Zo zijn er in het verleden onderzoeksubsidies toegekend voor thema’s als oudercommunicatie. De kennis en initiatieven die daaruit voortkomen, krijgen vervolgens een plek in de opleiding en de praktijk. Het is dus een samenspel van onderwijs, onderzoek en de grootstedelijke context. Natuurlijk heeft iedere Pabo eigen accenten en specialisaties.

Loek: “Gelukkig is er een goede samenwerking met de andere pabo’s in Nederland. Die samenwerking is gericht op een gezamenlijk doel: zo veel mogelijk goed opgeleide leerkrachten afleveren.

Tegelijkertijd heeft Pabo HvA een duidelijk eigen profiel. De grootstedelijke context speelt daarin een centrale rol. De opleiding bevindt zich niet alleen middenin Amsterdam, maar richt het onderwijs ook bewust in op de vraagstukken en mogelijkheden die horen bij lesgeven in een grote stad. Voor aankomende studenten kan dit een belangrijk onderscheid zijn. Wie wil leren lesgeven in een diverse, dynamische en grootstedelijke omgeving, vindt bij Pabo HvA een opleiding die daar nadrukkelijk op is ingericht. Die focus maakt de opleiding niet per se volledig uniek, maar wel herkenbaar en onderscheidend.

Wij willen je leren hoe je, op wat voor soort school je ook terechtkomt, aansluit bij wat er op die school nodig is. Dat betekent dat je niet alleen de school zelf leert begrijpen, maar ook de omgeving ervan: de kinderen die er komen, de ouders, je collega’s, hoe zij werken, hoe de school in elkaar zit en wat iedereen nodig heeft. De grote variëteit aan scholen en omgevingen helpt daarbij. Zo leer je omgaan met verschillen en kun je je als leerkracht aanpassen aan de context waarin je werkt.

Opleiden voor de grootstedelijke context betekent niet dat een school in een dorp vanzelfsprekend eenvoudiger is dan een school in de stad. De complexiteit van het onderwijs hangt af van de specifieke school, de leerlingen en de omgeving. Ook buiten de grote stad kunnen leerkrachten te maken krijgen met complexe situaties.

Daarom leren studenten vooral om goed te kijken naar de context waarin zij werken. Zij onderzoeken wat voor school het is, wie de leerlingen en ouders zijn, wat de omgeving met zich meebrengt en wat dat vraagt van hun handelen als leerkracht.”

Heb je het idee dat we als hogeschool voldoende bijdragen aan het lerarentekort?

Loek: “We proberen kansen te benutten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan meer goed opgeleide leerkrachten. Daarbij wordt steeds afgewogen wat een traject vraagt aan investering en wat het uiteindelijk oplevert.

Een belangrijk voorbeeld is de ontwikkeling van het zijinstroomtraject, naast opleidingen zoals de Pabo-ALO. Bij het zijinstroomtraject is goed gekeken naar wat deze groep nodig heeft. Het programma was in eerste instantie gebaseerd op de deeltijdvariant, maar bleek niet op alle punten passend voor zijinstromers. Door samen met zijinstromers te onderzoeken wat wel werkt, hebben we de opleiding aangepast. Daardoor krijgen deelnemers meer kans om het traject in één keer succesvol af te ronden. Daarnaast hebben we ook verschillende trajecten opgezet waarvan verwacht werd dat dit veel nieuwe leerkrachten zou kunnen opleveren. Maar na een tijdje bleek dat dat traject onvoldoende resultaat had. We zijn ermee gestopt. Zo blijven we kritisch kijken naar welke aanpak echt bijdraagt aan het terugdringen van het lerarentekort.”

Johan: “En ook dat doen we in Amsterdam samen met de iPabo. Op basis van vragen uit het werkveld is bijvoorbeeld onderzocht of er gezamenlijke trajecten voor onderwijsassistenten konden worden opgezet. Dit initiatief bleek uiteindelijk minder succesvol, omdat er te weinig animo voor was. Daarnaast ontstaan ook nieuwe ideeën binnen de opleiding. We kijken steeds welke initiatieven kunnen bijdragen aan een grotere instroom van toekomstige leerkrachten.

De HvA is een grote speler in Amsterdam. De lijnen met scholen, gemeente en andere partners zijn kort en nieuwe initiatieven kunnen relatief snel worden opgezet. Dat helpt om te blijven innoveren en te onderzoeken welke aanpakken daadwerkelijk aanslaan.”

En hoe kijk je naar de komende jaren Loek?

Loek: “De komende jaren ligt een belangrijk deel van het werk bij de verdere ontwikkeling van het nieuwe curriculum. Het curriculum heeft inmiddels een stevige basis, maar wordt tijdens de uitvoering voortdurend geëvalueerd en waar nodig aangepast. In de praktijk blijkt altijd welke onderdelen anders of beter kunnen.

Daarnaast is de samenwerking met het werkveld vernieuwd. Met twee programmaleiders voor het samenwerkingsverband is een andere structuur ontstaan, waar mogelijk nog meer schoolbesturen bij aansluiten. De komende tijd wordt onderzocht hoe deze samenwerking verder kan worden versterkt en wat beide partijen er nog meer uit kunnen halen.

Ook binnen het docententeam liggen kansen voor verdere ontwikkeling. Het team beschikt over veel vakkennis, praktijkervaring en inzicht in wat het onderwijs vraagt. Door nog meer als lerend team samen te werken, kennis te delen en gezamenlijk stappen te zetten, kan de opleiding zich verder blijven ontwikkelen.”

Dat klinkt optimistisch. Hoe was voor jou en voor je team de overgang van teamleider naar opleidingsmanager?

Loek: “De overgang van teamleider naar opleidingsmanager is eigenlijk heel prettig verlopen. Ik heb veel positieve reacties van collega’s ontvangen en ervaar ook echt draagvlak binnen het team. De stap voelde ook natuurlijk, omdat ik als teamleider al intensief samenwerkte met Johan en op vergelijkbaar niveau meedacht en beslissingen nam. Het belangrijkste verschil is dat ik nu zelf eindverantwoordelijk ben.

De organisatie van de Pabo is ook niet sterk hiërarchisch. Besluiten worden veelal in overleg genomen met teamleiders en andere betrokken collega’s. Ik ervaar ook geen weerstand of afgunst vanuit het team, maar juist een prettige samenwerking en vertrouwen.”

Johan: “We hebben altijd intensief samengewerkt, waardoor de overgang geleidelijk en vertrouwd kon verlopen. Ik heb het team altijd als bijzonder plezierig ervaren, niet alleen door de deskundigheid en bevlogenheid van de collega’s, maar ook door de samenstelling ervan. Binnen één team komen alle vakgebieden van het basisonderwijs samen. Collega’s hebben ieder hun eigen opleiding, expertise en invalshoek, maar vormen gezamenlijk één team. Juist die combinatie van verschillende vaksecties en unieke bijdragen maakt het team sterk en waardevol.

Jullie zijn duidelijk heel trots op het team van Pabo HvA…

Loek: “Onze docenten zijn niet alleen inhoudelijke experts maar vooral ook zelf deskundig in het geven van goed onderwijs. De meesten hebben ervaring in het basisonderwijs en weten dus vanuit de praktijk wat lesgeven vraagt. Dat maakt onze Pabo ook zo bijzonder: docenten moeten niet alleen goed onderwijs verzorgen, maar studenten ook laten zien en uitleggen hoe zij dat later zelf kunnen doen. Zij hebben daarmee een voorbeeldfunctie. Dit leidt ook tot meer onderwijsinhoudelijke gesprekken over het curriculum dan bij opleidingen waar docenten minder didactische ervaring hebben.”

Johan: “We hebben het aannamebeleid voor docenten aangescherpt. Docenten moeten zelf een Pabo-opleiding hebben afgerond en een universitaire opleiding of masteropleiding in een van de Pabo-vakgebieden hebben gevolgd. Daarmee selecteren we bewust op een brede en passende expertise voor het basisonderwijs. Docenten beschikken niet alleen over vakinhoudelijke kennis, maar begrijpen ook wat het vraagt om leerkracht te zijn en leerlingen in de volle breedte te begeleiden. De kwaliteit van het docententeam is hoog. Ook uit accreditaties blijkt dat we beschikken over een deskundig en bevlogen team. Juist deze docenten hebben een belangrijke rol: zij zijn degenen die het vonkje bij de studenten moeten overbrengen om zelf die goede leerkracht te willen zijn die elk kind verdient.”

 

Johan Jelsma

Loek Spitz is vanaf januari 2026 opleidingsmanager van Pabo HvA. Hij is gepromoveerd in wiskunde en als docent in 2014 gestart bij UPvA. Afgelopen jaren was hij teamleider bij Pabo HvA. Hij leest graag voor uit Kikker & Pad van Arnold Lobel en uit Oom Olifant van dezelfde schrijver. En ook klassieker Paulus de Boskabouter (Jan Dulieu) staat ook hoog op zijn favorietenlijstje.

Johan Jelsma was opleidingsmanager Pabo HvA van oktober 2009 tot en met december 2025. Daarvoor was hij werkzaam bij de politie. Hij noemt onmiddellijk Kikker van Max Veldhuis als favoriet kinderboek. Vooral ook omdat in deze boekenserie soms complexe thema’s op een eenvoudige manier aan de orde komen. En in een andere leeftijdscategorie wil hij ook zeker nog de titels Lampje en Krekel van Annet Schaap als favorieten noemen. “Prachtige boeken met een diepere gelaagdheid.”

Loek Spitz

Even voorstellen